Wie schenkt als de schenker is gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen?
behorend vermogensbestanddeel schenkt, kan de andere echtgenoot hier juridisch gezien in beginsel niets tegen ondernemen, behalve als hij voor de schenking toestemming moet geven.
Op grond van het Nederlandse recht worden echtgenoten namelijk beperkt in hun bevoegdheid bepaalde rechtshandelingen aan te gaan (art. 1:88 lid 1 sub b en lid 4 BW). Ongeacht het tussen echtgenoten geldende huwelijksvermogensregime en ongeacht of de gift ten laste van het privévermogen van een echtgenoot komt, heeft een echtgenoot namelijk toestemming nodig van de andere echtgenoot voor onder andere giften, met uitzondering van de gebruikelijke, niet bovenmatige giften (art. 1:88 lid 1 onder b BW). Toestemming is echter niet vereist voor giften die de strekking hebben dat zij pas zullen worden uitgevoerd na het overlijden van degene die de gift doet, en niet al tijdens zijn leven worden uitgevoerd (art. 1:88 lid 4 BW, eerste volzin). Dit ziet op de zogenoemde schenkingen ter zake des doods, zoals de schenking onder schuldigerkenning (zie art. 7:177 BW). De echtgenoot die toestemming verleent, wordt echter hierdoor zelf niet mede gebonden. Door het louter verlenen van toestemming is deze echtgenoot dus niet mede aan te merken als schenker. Volgens de Hoge Raad brengt de enkele omstandigheid dat echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd nog niet mee dat een echtgenoot (mede) partij is bij een door de andere echtgenoot aangegane rechtshandeling (HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0937 en HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5651).
Toerekening van de schenking voor art. 12 SW (180-dagenregeling)
Bij de procedure voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant (30 januari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:404) behoorde tot de huwelijksgoederengemeenschap een aanmerkelijk belang in A BV, waarvan de aandelen op naam stonden van vader. Hij had vanuit die vennootschap bedragen overgemaakt aan zijn twee kinderen en zijn echtgenote, onder de vermelding ‘schenking 2015’. In verband met de verkrijging van de kinderen (in 2016) uit de nalatenschap van hun moeder zijn aan hen aanslagen erfbelasting opgelegd, waarbij aanvankelijk het gehele bedrag van de giften tot de heffingsgrondslag is gerekend. Bij de uitspraken op bezwaar is dit standpunt door de inspecteur herzien en is de helft van het bedrag van de giften tot de grondslag gerekend. Volgens de Rechtbank is door die betalingen de gemeenschap verarmd. Dit betekent ook dat ervan uitgegaan moet worden
dat vader namens de huwelijksgemeenschap heeft gehandeld. Nu vader uit vrijgevigheid heeft gehandeld, wordt daarmee de bevoordelingsbedoeling ook bij de andere huwelijkspartner, in dit geval erflaatster, geacht aanwezig te zijn. Dat erflaatster wellicht niet op de hoogte was van de giften maakt niet dat de giften als alleen giften van vader moeten worden aangemerkt. Volgens de Rechtbank moeten de giften daarom voor de helft worden toegerekend aan erflaatster. Voor dat gedeelte is sprake van giften als bedoeld in art. 12 SW, met als gevolg dat deze giften worden geacht krachtens erfrecht van erflaatster te zijn verkregen. Hoewel de kinderen de hiervoor besproken civielrechtelijke jurisprudentie in deze procedure naar voren hebben gebracht, geldt deze volgens de Rechtbank niet voor het bepalen van de hoogte van de (fictieve) erfrechtelijke verkrijging bij de heffing van erfbelasting in het geval van een schenking afkomstig uit huwelijksgemeenschapsvermogen. De werking van art. 12 SW zou niet tot zijn recht komen wanneer er zou worden uitgegaan van de visie dat de schenking volledig afkomstig is van de vader, aangezien hij maar met de helft van de geschonken waarde verarmt. Bij zijn overlijden binnen 180 dagen na de schenking zou dan slechts de helft van het geschonken bedrag onder de werking van art. 12 SW vallen. Om deze redenen kan volgens de Rechtbank het beroep van belanghebbenden op het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:8057), waarin geoordeeld is dat de gift aan de schenkende echtgenoot moet worden toegerekend, ook als echtgenoten in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, waardoor de gift uiteindelijk ten laste van hen beiden is gekomen, niet leiden tot een ander oordeel dan hiervoor gegeven. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep aangetekend. Zie voor een nadere toelichting op deze uitspraak en de gevolgen voor de praktijk het onderdeel ‘verdieping’.
Bij de procedure voor Rechtbank Noord-Nederland (19 november 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3983) waren de ouders in gemeenschap van goederen gehuwd en heeft de vader in 2001 ten titel van schenking een bedrag overgemaakt aan zijn dochter van een op zijn naam aangehouden bankrekening bij een in Zwitserland gevestigde bank, naar een eveneens bij deze bank aangehouden bankrekening van deze dochter. De vader is op 14 augustus 2002 overleden en de moeder op 10 januari 2019. Naar aanleiding van de verklaring (inkeer) van de dochter over deze bankrekening, heeft de Belastingdienst een aanslag schenkbelasting opgelegd voor de helft van het overgeboekte bedrag in verband met de schenking in 2001. Volgens de dochter is echter het gehele
www.pe-notariaat.nl 7
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40