De coöperatie: een rechtsvorm in opkomst, maar is deze geschikt voor ieder doel?
eenzijdig wijzigen van de afspraken in beginsel niet mogelijk.
Art. 2:59 BW bepaalt met zoveel woorden dat de overeenkomst tussen lid en coöperatie niet bij besluit kan worden gewijzigd. Het type overeenkomst dat met leden wordt gesloten, kan heel divers zijn. Dit wordt bepaald door de aard van de coöperatie. Voor de overeenkomst geldt geen schriftelijkheidsvereiste. In het kader van de bewijsvoering is schriftelijke vastlegging uiteraard wel wenselijk.
Ten aanzien van de betrokken partijen geldt dat - hoewel dit niet uitdrukkelijk uit de wet blijkt - verschillende auteurs in de vakliteratuur uit de strekking van de wet afleiden dat niet vereist is dat de overeenkomst met de coöperatie zelf wordt gesloten (Asser/Rensen; Dortmond; Van der Sangen & Dijk/Van der Ploeg). Het wordt mogelijk geacht dat de overeenkomst wordt aangegaan door een dochtermaatschappij van de coöperatie. Deze auteurs leiden dit af uit de parlementaire geschiedenis. Andere auteurs achten dit echter niet mogelijk en wenselijk (Galle en Lunshof).
De coöperatie kan de overeenkomsten die zij sluit met de leden, ook aangaan met derden. De wet vereist voor deze – van de wettelijke omschrijving afwijkende – situatie een expliciete grond in de statuten (art. 2:53 lid 3 BW). Niet toegestaan is dat door de overeenkomst met derden de overeenkomst met de leden slechts van ondergeschikte betekenis wordt, aldus art. 2:53 lid 4 BW. Dit is een kwalitatief criterium. Het sluiten van deze overeenkomsten met derden mag niet een zelfstandig doel zijn waarbij de leden geen voordeel wordt gebracht. Bij overtreding van dit verbod kan de Rechtbank de coöperatie ontbinden (art. 2:21 lid 3 BW).
3. Bedrijf (doen) uitoefenen ten behoeve van de leden Vereist is dat de coöperatie een bedrijf uitoefent of doet uitoefenen. Dit derde kenmerk volgt ook uit art. 2:53 lid 1 BW. In tegenstelling tot de vereniging die een bedrijf mag uitoefenen, moet de coöperatie een bedrijf uitoefenen. Ieder type bedrijf is denkbaar, behalve het verzekeringsbedrijf. Voor dat type bedrijf is de onderlinge waarborgmaatschappij de aangewezen rechtsvorm. De coöperatie met als doel het sluiten van verzekeringsovereenkomsten met de leden loopt het risico ontbonden te worden op grond van art. 2:21 lid 1 sub c BW.
‘Bedrijfsuitoefening’ kan hier ruim worden opgevat. Ook het exploiteren van haar bezit door de coöperatie is voldoende. Ook is voldoende als het maken van winst, in de ruime zin
24
van het woord, wordt beoogd en de coöperatie voorziet in de stoffelijke behoeftes van haar leden. De bedrijfsuitoefening moet geschieden ten behoeve van de leden maar ook mét de leden aan de hand van de hierboven besproken vereiste overeenkomsten. De coöperatie moet gericht zijn op het economisch verkeer met haar leden. Het resultaat dient de leden ten goede te komen. In beperkte mate is mogelijk dat derden, anderen dan de leden, kapitaal verschaffen en in ruil daarvoor aanspraak op de winst krijgen.
Zowel bedrijfsuitoefening als het doen uitoefenen van bedrijf is mogelijk. Hierbij kan gedacht worden aan een coöperatie als holding met een of meer werkmaatschappijen. Bij deze mogelijkheid zijn de mate van zeggenschap door de coöperatie en de verdeling van de opbrengsten van de werkmaatschappij(en) van belang. Welke mate van zeggenschap exact vereist is, is onduidelijk. Daarover bestaat geen volledige eenduidigheid in de literatuur. In de literatuur wordt aangenomen dat in elk geval is vereist dat het gaat om zodanige zeggenschap dat de coöperatie de wijze van beleidsvoering binnen de werkmaatschappij(en) kan bepalen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een BV waarin de coöperatie meer dan de helft van de stemrechten kan uitoefenen. Het is echter ook denkbaar dat de coöperatie - naast stemrecht op aandelen – tevens op andere wijze zodanige zeggenschap over de werkmaatschappij heeft dat sprake is van ‘doen uitoefenen’, bijvoorbeeld via ‘prioriteits’-rechten (Asser/Rensen 2-III 2017/224).
Conclusie
De coöperatie is een populaire rechtsvorm, die in uiteenlopende gevallen wordt ingezet. In de literatuur is de vraag gesteld of de coöperatie steeds geschikt is voor het doel waarvoor zij wordt opgericht. Deze vraagstelling en het feit dat de doelstelling een belangrijk element is bij de coöperatie, waren aanleiding om het doel en de verschillende vereiste elementen daarvan in dit artikel nader te bespreken. Vereist is dat uit de statuten blijkt dat de coöperatie als doel heeft het voorzien in de stoffelijke behoeften van de leden, krachtens overeenkomst en dat sprake is van het (doen) uitoefenen van een bedrijf ten behoeve van de leden. Bij invulling van deze vereisten is de wet niet altijd duidelijk en moet de invulling geschieden aan de hand van de heersende leer. Anderzijds leven in de literatuur nog vragen waarop (nog) geen eenduidig antwoord kan worden gegeven. Zo bezien is het coöperatierecht een rechtsgebied in ontwikkeling.
PE Notariaat 2021/2
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40