Loondienst en op kantoor zitten, eigenlijk is het niets voor GEORGE WINTERMANS , senior milieuadviseur bij de NAM. Hij gaat veel liever het veld in en achter de beesten aan. Maar nu ziet hij wel alle feiten en cijfers over zijn geliefde Waddenzee voorbijkomen, en dat maakt voor hem veel goed.
George Wintermans maakt zijn naam iets minder chic: hij spreekt het uit als ‘Sjors’. Zijn grootvader deed nog het omgekeerde. Die veranderde Harrie juist in Henri. Hij was de Henri van Henri Win- termans sigaren. Wintermans’ vader vond dat hij maar medicijnen moest gaan studeren. Hij vond George een ‘geboren dokter’, net als twee andere van zijn acht zonen. Win- termans wilde eigenlijk dierge- neeskunde studeren, maar liet zich overtuigen en trok naar Nijmegen. Vlak voor zijn kandidaatsexamen, na drie jaar studie, begon het te wringen. “Ik dacht: wil ik dit wel? Ik was veel meer geïnteresseerd in vogeltjes en vissen en zat veel meer in de Ooijpolder dan op de universiteit. Dat trok me, eigenlijk al van kindsbeen af. Ik had vroeger ook allerlei beesten in aquaria en terraria en zandbakken. Ik zag mezelf niet als huisarts of in een ziekenhuis. Ik moest naar buiten. Veldonderzoek doen, dat wilde ik.” ACHTER DE BEESTEN AAN Winter- mans brak zijn studie af, maar durfde nog geen harde keuze te maken. Eerst ging hij op reis, met een school- en studievriend. Ze trokken van Nijmegen naar Athene en vervolgens dwars door Afrika van Caïro in Egypte naar Lusaka in Zambia. Toen ze niet verder kon- den vanwege de burgeroorlog in Zuid-Rhodesië (nu Zimbabwe) reis- den ze naar Mombasa in Kenia en pakten daar de vrachtboot naar Bombay (nu: Mumbai). Van Bombay trokken ze naar Calcutta
en Katmandu in Nepal. Delhi en Goa waren destijds populair bij ‘de dwalende jeugd’, maar Win- termans en zijn vriend trokken hun eigen plan en zaten voornamelijk in de natuur, ‘achter de beesten aan’. De kleinste details van de reis staan Wintermans nog helder voor de geest. “Soms weet ik tot mijn verbazing de raarste kleine plaats- jes nog. Wat was dat plaatsje ook alweer toen we van Zuid-Soedan overstaken naar Kenia? We moesten staan achterin een truck, twee dagen lang, en zo de grens over, want er was geen openbaar vervoer. Lokichokio heette het, een gat van hier tot gunder. Ik zie het nog zo voor me.” Het werden jaren van meer lange reizen en van werken. Geld ver- diende Wintermans in de bouw, onder meer bij een zwager met een bedrijf in prefabconstructies. Hij werkte op een boorplatform en bouwde een hotel in het Egyptische Luxor. De bouw beviel Wintermans zo goed dat hij pas na een paar jaar weer aan studeren begon te denken. Toen begon hij in Amsterdam dan toch eindelijk aan de studie van zijn hart: biologie, met als specia- lisme ecologie.
WEKEN IN EEN HUT OP PALENWin- termans studeerde onder meer af op een onderzoek naar de ‘voed- selecologie’ van de lepelaar: wat eet hij en waar haalt hij het van- daan? Lepelaars vangen gewoon- lijk vissen in polderslootjes, maar trokken in die tijd vanaf mei steeds
vaker naar het Wad. Niemand wist eigenlijk waarom. Wintermans ontdekte met twee medestuden- ten dat sluizen en gemalen de trekvissen op weg naar de slootjes tegenhielden, en dat de lepelaar op het Wad een goed alternatief had gevonden: garnalen. Een jaar of vijf werkte Wintermans na zijn afstuderen bij de onder- zoeksinstituten IMARES en NIOZ. Hij genoot als hij eropuit mocht, bijvoorbeeld om te onderzoeken of de vogels op het Wad last hadden van een nieuw militair oefenterrein. “Je kent zo’n wadhut wel hè? Op vier palen staat ‘ie, zes meter hoog. Ik vond dat prach- tig. Zat je weken in die hut, in peri- odes van twee, drie dagen. Nam je eten mee en een verrekijker en een telescoop en een recordertje om je observaties in te spreken. Kijken: reageren ze op het geluid, gaan ze verder op het Wad staan?” Zijn lepelaarstudie leverde Wintermans uiteindelijk zijn eerste opdracht op als zelfstandig ecoloog. Al die jaren had hij gelobbyd voor het plaatsen van een simpele tankconstructie waarmee vissen voorbij een gemaal naar het binnenwater konden worden geloodsd. Zelf bedacht, samen met zijn studie- maten. Toen er uiteindelijk een werd geplaatst, bij De Cocksdorp op Texel, kreeg Wintermans Ecologen Bureau de opdracht om drie jaar lang de resultaten bij te houden.
HET IS EEN SCHILDERIJ Al tijdens zijn studie, in 1984, was Win- termans naar Texel getrokken.
Daar ontmoette hij ook zijn vrouw Marianne. Hij had veel klussen op de Waddenzee en dat maakte zijn relatie met Marianne tot ‘een soort zeemanshuwelijk’, waarbij ze elkaar vooral in het weekend zagen. Het Wad was toen al een grote passie geworden. “Jaah, de Waddenzee is fantastisch. Die is mooi, groot, schíjnbaar ongerept. Als je er middenin staat zie je een open vlakte, een weidse horizon, bijna geen gebouwen... Die leeg- heid vind ik mooi. Maar ook die dynamiek: als je daar staat en het valt droog, dan ontstaat er lang- zaam een landschap voor je neus. Al die beesten die erop reageren hè? Die vogels die aan komen vliegen als het laag water wordt, al die bodemdieren die reageren op het getij, al die garnalen die vanuit die geultjes het wad opkrui- pen. Het is een schilderij waar je in staat, een landschap van pasteltinten.”
EVEN SLIKKEN In 2002 besloten Wintermans en zijn vrouw terug te keren naar het vasteland. Zij wilde graag terug naar haar geboorte- grond Drenthe, hij had toch al de meeste klussen ‘aan de overkant’, en bovendien was hun zoon Bart gaan studeren in Delft. Het werd geen Drenthe maar Groningen: Finsterwolde. “Een compromis”, zegt Wintermans. Voor hem is het fi jn dat het dicht bij het Wad ligt, met de Dollard om de hoek. Vrijwel direct kwam Wintermans toen ook bij de NAM terecht. NAM-ecoloog Joop Marquenie, voor wie hij wel eens wat klussen