This page contains a Flash digital edition of a book.
SEPTEMBER n OKTOBER | 2011


25


U BENT EEN EXPERT OP HET GEBIED VAN DE VRAAG- EN AANBODONTWIKKELING IN DE GASMARKT. TOCH BLIJKT JUIST DE VRAAGONTWIKKELING TOT 2020 EEN GROTE ONZEKERHEIDSFACTOR IN UW STUDIE. “Dat is correct. De toekomstprojecties ten aan- zien van de jaarlijkse vraag naar gas variëren aanzienlijk, met name door onzekerheden over de groei van het aantal gasgestookte elektri- citeitscentrales en de invloed van milieuregel- geving. Ook het effect van de recessie heeft tot veranderingen in de vraagontwikkeling geleid. Na een inventarisatie van de toekomst- scenario’s voor Noordwest-Europa zijn twee uiteenlopende scenario’s gehanteerd. Daar- naast bleken ook andere belangrijke historische gegevens over het huishoudelijk en industrieel seizoensverbruik niet in alle landen publiekelijk beschikbaar. Veel uitspraken over Noordwest- Europa zijn dan ook gebaseerd op Neder- landse gegevens.”


WELKE ONTWIKKELINGEN IN DE NEDERLANDSE GASMARKT ZIJN ILLUSTRATIEF VOOR ANDERE EUROPESE LANDEN? “We zien positieve ontwikkelingen op de Nederlandse gasmarkt, zoals het initiatief voor de Gasrotonde en de bindende afspraken met Gasunie ten aanzien van ondersteunende leve- ring bij lage temperaturen. Deze ontwikkelingen dragen bij aan de leveringszekerheid, maar die zekerheid was in het verleden veel groter. Tot ver in de jaren negentig kon Gasunie het zich als toenmalige monopolist permitteren om voor de netwerkcapaciteit een norm te hanteren die gebaseerd was op leveringszekerheid bij een strenge winter die statistisch eens in de vijftig jaar zou kunnen optreden. Leveringszekerheid was toen een topprioriteit. Daarbij kon Gasunie beschikken over alle relevante nationale gas- kennis. De investeringspolitiek werd gebaseerd op een brede informatiebasis. Door de libera- lisering van de gasmarkt is de situatie radicaal veranderd: veel kennis is concurrerende kennis die niet meer wordt gedeeld en de huidige spelers op de gasmarkt doen geen investerin-


gen meer die je maar een keer in de vijftig jaar nodig hebt. Zij richten zich op de korte en mid- dellange termijn. Doordat de gasmarkt nu sterk gefragmenteerd is bestaat er ook geen partij meer die het overzicht heeft, die onze leve- ringszekerheid kan coördineren. In de meeste Europese landen bestaat regelgeving voor leve- ranciers om de gastoevoer naar huishoudens in een strenge winter te waarborgen, maar of zij aan deze verplichtingen kunnen voldoen is niet duidelijk. Niemand weet ook hoe de recente Europese verordening over gasleveringszeker- heid moet worden vertaald naar concreet en kwantificeerbaar beleid. Kortom: met het oog op de leveringszekerheid zijn nieuwe risico’s en onzekerheden ontstaan.”


HEEFT DE LIBERALISERING VAN DE GASMARKT OOK POSITIEVE EFFECTEN OPGELEVERD TEN AANZIEN VAN DE LEVERINGSZEKERHEID VAN GAS? “In het algemeen staan liberalisering en leve- ringszekerheid met elkaar op gespannen voet. Wel kan de veranderde LNG markt een bij- drage aan de leveringszekerheid leveren. Door de groeiende productie van unconventional gas in de VS is er met name in het Atlantische bekken een overcapaciteit van LNG ontstaan. Om LNG in Europa binnen te brengen hebben producenten en gasbedrijven in de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in importterminals (voor het omzetten van LNG naar aardgas) die maar ten dele worden gebruikt. In een zeer strenge winter kan daardoor extra LNG op de wereld- markt worden gekocht en direct tot gas worden verwerkt. De vraag is alleen: zal LNG op die momenten nog beschikbaar zijn en voor welke prijs? Ook de opkomst van zoutcavernes kan bijdragen aan de tijdelijke opvang van tekor- ten. Maar ook hier geldt dat de marktspelers de investeringen in extra opslagcapaciteit in de eerste plaats hebben gedaan om prijsvoorde- len te behalen en niet om seizoensfluctuaties op te vangen. Het is een bijkomend effect van de recente investeringsontwikkelingen dat de leve- ringszekerheid in een strenge winter vooralsnog


geen aanleiding tot ongerustheid geeft, maar in mijn ogen is dit een schijnzekerheid. De huidige gefragmenteerde markt bemoeilijkt de kennisde- ling. Het afdwingen van leveringszekerheid is naar mijn mening een taak van de overheden. Geen eenvoudige taak, want we hebben een gasindustrie gecreëerd die voor alle afnemers meer risico’s en onzekerheden heeft gebracht. Daardoor moeten marktspelers meer opties ontwikkelen en meer kosten maken. Al met al denk ik dat de liberalisering van de gasmark- ten onze samenleving meer heeft gekost dan opgeleverd.”


WAT MOET ER VOLGENS U GEBEUREN? “Vooruitkijkend moet de overheidsstrategie zich vooral richten op stimuleringsmaatregelen: alle energiepartijen moeten worden geprikkeld om in opslagfaciliteiten en het pijpleidingsysteem te investeren. Dat gebeurt nu niet. Nog steeds zijn toezichthouders meer gericht op een maximale gebruiksgraad van het pijpleidingnetwerk. Ook houden zij de tarieven kunstmatig laag en bemoeilijken zij daarmee nieuwe investeringen. De toezichthouders zouden er beter aan doen investeringen in pijpleidingen en andere infra- structuur te faciliteren, ook als dat leidt tot lager gebruik. Wanneer we voor strategische opslag moeten kiezen om de erosie in de voorzienings- zekerheid te beperken, dan wordt het prijs- kaartje voor de liberalisering wel erg hoog.”


EN EUROPA? “Mede als gevolg van de Europese maat- regelen, die aanvankelijk zijn genomen om een interne markt te creëren, hebben we ons ingegraven in nationale reguleringsstructuren. De huidige situatie werkt niet bevorderend voor grensoverschrijdende investeringen. Voor een structurele verbetering van de leveringszeker- heid is een Europees regelgevingkader voor het totale Europese energiesysteem nodig. Alleen door het complete systeem in ogenschouw te nemen kunnen efficiëntere totaaloplossingen worden gevonden.” n


Na een studie aan de Technische Universiteit Delft trad DICK DE JONG in 1972 in dienst van Shell, waar hij tot zijn pensionering in 2001 een succesvolle carrière doorliep. Na diverse functies in de gasbranche werd hij in 1990 Vice-President van Shell’s Europese gasactiviteiten. Tot 2001 was De Jong Director van Shell Gas and Power. Tegenwoordig is hij als Senior Fellow actief voor het Clingendael International Energy Programme in Den Haag, waar hij onder andere betrokken is bij diverse studies over de ontwikkelingen van de Europese gas- en elektriciteitsmarkten. Zijn expertiseterrein bestrijkt het investeringsklimaat in de gassector, leveringszekerheid en Europees gasbeleid. Daarnaast doceert Dick de Jong aan het Energy Delta Institute in Groningen.





Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32