Arthur Japin Het verhaal van de Afrikaanse sol-
daten krijgt landelijke bekendheid wanneer journaliste Ineke van Kessel datzelfde jaar 1985 een interview met Cordus publiceert. Als ze jaren later de journalistiek heeft verwisseld voor de universiteit, besluit ze als weten- schappelijk medewerker aan het Afrika- Studiecentrum (ASC) het onderzoek
van de inmiddels gepensioneerde Sil- via de Groot voort te zetten. In 1998 is ze medeorganisator van het vijftigjarig jubileum van het ASC en nodigt ze schrijver Arthur Japin uit om een lezing te houden over zijn roman De Zwarte met het Witte Hart. Het verhaal over de Ashanti-prinsjes Kwasi Boachi en Kwame Poku die als onderpand voor het wervingscontract naar Nederland zijn gestuurd om er een Europese opvoeding te krijgen, is in binnen- en buitenland een verkoopsucces en heeft de geschiedenis van de twee prinsen in samenhang met de illegale wer- ving, aan de vergetelheid ontrukt. Met de publicatie De Zwarte Hollanders: Afrikaanse soldaten in Nederlands Indië rondt Van Kessel haar jarenlange onderzoek naar de geschiedenis van de belanda hitam af.
KNIL-zakboekje Cordus zelf gaat onvermoeibaar door
met het verenigen van nazaten. Het ledenbestand van de in 2002 opgerichte Stichting Indo-Afrikaans Kontakt telt een kleine vierhonderd namen, maar nog steeds lopen er nazaten rond die onwetend zijn van hun Afrikaanse wortels. Sommige nazaten die hij weet te vinden, willen er echter niets van weten. “Het zij zo”, merkt hij op. “Het gaat ons om het in stand houden van de Indo-Afrikaanse mengcultuur, maar als er nazaten zijn die daar niet in geïn- teresseerd zijn, is het ook goed. Geluk- kig komen er nog steeds enthousiaste nazaten bij voor wie de afstamming een grote verrassing is. Ze worden wel steeds witter”, lacht hij. “Je ziet dat er van generatie op generatie steeds meer vermenging met Nederlands bloed heeft plaatsgevonden.” De tastbare erfenis die is overgele- verd, is beperkt: er zijn archiefstuk- ken, militaire souvenirs in Museum Bronbeek, een zeldzame wajangpop van een belanda hitam-soldaat in het Tropenmuseum, enkele portretten van Afrikaanse soldaten door Isaac Israëls, familiefoto’s uit Poerworedjo, Amba- rawa, Salatiga en Semarang – steden op Java waar Indo-Afrikaanse families
52 september 2017
Daniël Cordus bij Bronbeek. Foto: Full Colour Entertainment
woonachtig waren – naast een enkele tropenhelm, een kris en een KNIL-zak- boekje. Voor de meeste Indo-Afrikaanse families geldt dat ze de nieuwe repu- bliek Indonesië halsoverkop hebben moeten verlaten met achterlating van hun eigendommen.
Fort Coenraadsburg Inmiddels is de cirkel rond: de stamva-
ders van Cordus en echtgenote Evelien zijn allebei in 1837 vanuit Ghana naar Java verscheept. Hoe hun Afrikaanse namen luiden, is niet meer te achter- halen, want het spoor loopt dood in Ghana: in de stamboeken staat alleen de streek Ashanti vermeld en niet het dorp van herkomst. Het echtpaar Cor- dus kan dan weliswaar geen verre fami- lieleden in Ghana meer achterhalen, in het jaar 2000 hebben ze op uitnodiging van Van Kessel hun ‘vaderland’ tijdens een roots trip bezocht. “Het was erg indrukwekkend en emotioneel om in kasteel Elmina rondgeleid te worden in de ruimtes waar de slaven waren onder- gebracht. Vanuit het kasteel hadden we zicht op Fort Coenraadsburg waar de Afrikaanse soldaten leerden exerceren en op de haven van waaruit onze stam- vaders zijn weggevaren naar Batavia”, vertelt Evelien Cordus. De volgende halte tijdens de reis was Kumasi, de hoofdstad van het Ashanti-rijk waar destijds een werfdepot voor Afrikaanse krijgsgevangenen en slaven was geves- tigd. Hoewel een audiëntie bij de Asantehene (koning) doorgaans onmogelijk was, werd het echtpaar tot hun grote verras- sing door Otumfuo Osei Tutu II ontvan- gen. “We zaten onder een boom bij het paleis te wachten toen we plotseling te horen kregen dat we een privéaudi-
entie van vijf minuten bij de koning toegestaan kregen. We mochten ons niet rechtstreeks tot hem richten, maar nadat we hem een fles jenever overhan- digd hadden en de begeleider ons ver- haal in het Twi vertaald had, mochten we de Asantehene de hand schudden.”
Documentaire In 2003 bracht het echtpaar Cordus
samen met een groep andere Indo- Afrikanen nogmaals een bezoek aan Ghana om de opening van het Elmina Java Museum in Elmina bij te wonen, waar een permanente tentoonstelling is gewijd aan de geschiedenis van de belanda hitam. Als speciaal geschenk kregen ze een replica van een KNIL- uniform met sabel aangeboden. “Omdat een klewang een wapen is, hebben we het bijna op Schiphol moeten achterla- ten, maar uiteindelijk begrepen de dou- anebeambten dat het om een museum- stuk ging en mochten we doorlopen”, lacht Evelien Cordus. Met de eerdere verschijning van het boek De vergeten krijgers (zie Check- point 3-2017) en de première deze maand op het Nederlands Filmfestival van de gelijknamige documentaire, met Daniël Cordus in de hoofdrol, krijgt de geschiedenis van de Indo-Afrikanen bij het KNIL opnieuw aandacht. Cordus: “Ik zie dit alles als definitieve erken- ning van de Indo-Afrikaanse gemeen- schap in Nederland en in het buiten- land. Het heeft lang geduurd, maar het verhaal van de illegale werving van Afrikanen in de negentiende eeuw is eindelijk in kaart gebracht. Aan de Afrikaanse diaspora die het Caribisch gebied en Noord- en Zuid-Amerika beslaat, is nu ook Indonesië toege- voegd.”
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65