Mobiliteit en circulair bouwen zijn twee belangrijke pijlers in de portefeuille van Stientje van Veldhoven (D66), staatssecretaris Infrastructuur en Waterstaat in het kabinet Rutte III. We vroegen haar daarom wat het beleid is de komende jaren op gebieden als het openbaar vervoer en - Nederlands vervoermiddel bij uitstek - de fiets. Verder gaat ze in op hoe Nederland in 2050 een 100 procent circulaire economie gaat worden. “We willen de maatschappelijke waarde van een verminderde CO2-uitstoot inzichtelijk maken.” Tekst: Wink Sabée
“We zien in Nederland dat de mobili- teit groeit. In de Randstad verwach- ten we dat er in de komende tien jaar vijfhonderdduizend mensen bijkomen; de drukte in de stedelijke omgevingen neemt dus toe. Dit betekent dat we alle vormen van vervoer nodig hebben om in te spelen op de verhoogde vraag naar mobiliteit.”
“Als je specifi ek kijkt naar het openbaar vervoer, dan moeten we ervoor zorgen dat reizigers op een hoogwaardige en comfortabele manier het hart van een stad kunt bereiken. Dit houdt in dat je comfortabel op een station aankomt en vanuit daar direct door kunt per tram, bus of metro deelfi ets of een deelauto. Drempelloos reizen dus, welk vervoer- middel je ook kiest. Het vervoermiddel staat dan niet langer centraal, maar de reis die je maakt, van A naar B. De ver- schillende keuzemogelijkheden voor welke reis dan ook moeten wij zo goed mogelijk faciliteren. De investeringen van NS in ‘huiskamers’ zijn daarvan een mooi voorbeeld.”
“Hoe je je reistijd wilt besteden is uiter- aard van invloed op je keuze. Zo kun je in het openbaar vervoer in de regel be- ter werken dan in de auto. De reiziger wil dan niet alleen comfortabel kunnen werken in de trein, maar bijvoorbeeld ook tijdelijk op het station. Om dit voor elkaar te krijgen, zouden we dus moe- ten investeren in fl exibele werkplekken op de stations.”
De focus van het beleid ligt op het zo min mogelijk reizen met de auto? “In de steden en voor kleine afstanden vind ik dat het OV de aantrekkelijkste optie moet zijn. Maar de auto blijft na- tuurlijk belangrijk. Ik verwacht dat men op het platteland voor het reizen van het ene dorp naar het andere dorp de voor- keur blijft geven aan de auto. Hopelijk is dat in toenemende mate vaker met een emissieloze auto, want als kabinet wer- ken we natuurlijk ook hard aan de groei van het aantal schone auto’s. Maar zo- dra de reis deels in een stedelijke om- geving plaatsvindt, moeten andere vor- men van vervoer aantrekkelijker zijn dan de auto.”
“Het spoorboekje moet in het openbaar vervoer niet langer een belemmering zijn bij de keuzes die reizigers maken. Mijn toekomstbeeld van het openbaar ver- voer is dan ook dat in grootstedelijke omgevingen – ik defi nieer dat als Rand- stad plus globaal de hoek Zwolle, Arn- hem/Nijmegen en Eindhoven – we naar een metro-achtig netwerk toe gaan. Ver- gelijk het met een stad als Parijs. Daar stopt het grootstedelijke openbaar ver- voer niet op elke hoek van de straat, maar men maakt de tussenstops over langere afstanden. Het is daardoor snel en tegelijkertijd heel frequent; om de vijf of tien minuten stopt een trein of metro, een spoorboekje is niet nodig. Dat wil- len we in de grootstedelijke gebieden in Nederland ook voor elkaar krijgen. En daar zijn we al mee bezig. Zo rijdt er een 10-minutentrein tussen Amsterdam en Eindhoven. Dit gaat de komende jaren al op meer trajecten gebeuren. Bij lan-
gere afstanden – neem een treinreis van Groningen naar Den Haag – willen we ook versnellen ten opzichte van de hui- dige reistijd.”
“Aan het verbeteren van het openbaar vervoer werken we tussen nu en 2040. We hebben een verre horizon geno- men om mensen niet de indruk te geven dat al onze plannen bij wijze van spre- ken morgen al realiteit zijn. Maar het ís al werk in uitvoering. Zo rijden er al 10-minutentreinen tussen Amsterdam, Utrecht en Eindhoven.”
“We hebben de afgelopen tijd ingezet op betere, snellere internationale ver- bindingen met de trein naar het zuiden en Londen. Dit willen we uitbreiden naar het oosten, naar Duitsland, dat toch een van onze belangrijkste handels- partners is. Hebben we dat eenmaal voor elkaar, dan hebben we volgens mij ook een goed alternatief gecreëerd voor veel vliegreizen naar de landen om ons heen. En we hebben dan gelijk een mooie aansluiting op het intercontinen- tale vliegverkeer. Je vliegt dan bijvoor- beeld op Amsterdam en je neemt ver- volgens de trein naar Parijs. Of je vliegt naar Parijs en je reist direct door naar Rotterdam.”
“De fi ets is natuurlijk typisch Nederlands en blijft vooral voor het ontsluiten van de steeds drukker wordende grootste- delijke omgevingen belangrijk. Daarom
Nr.3 - 2019 OTAR O Nr.3 - 2019TAR 7
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48