‘De brief die mijn grootvader kreeg van president Eisenhower hangt prominent bij mij in de woonkamer. In deze brief wordt mijn opa bedankt voor zijn hulp aan geallieerde piloten in bezet gebied. Dat hij een grote rol had gespeeld binnen de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers, dat was me bekend. Op een gegeven moment werd hij gezocht door de Duitsers en moest hij zelf ook onderduiken. Dat hij onderduikers hielp, dat is voor mij logisch. Dat paste binnen zijn geloof en ontmoetingen van de Gereformeerde Kerk gingen op een gegeven moment alleen nog maar over het helpen van de medemens. Maar dat hij geallieerde piloten opving en die via een netwerk van routes en adressen de grens over hielp, dat was nieuw voor mij. Dat werd door de bezetter gezien als hulp aan de geallieerden, aan de tegen- stander. Als dat was ontdekt, dan was hij zonder twijfel tegen de muur gezet. Dat is nogal een risico voor een vader van zes kinderen. Hoewel ik amper her- inneringen heb aan mijn grootvader, vervullen zijn daden me toch met trots. Hij is immers familie. Ik hoop dan toch dat ik iets van zijn heldenmoed heb meegekregen. Hij durfde iets aan wat anderen niet deden. Het geeft een goed gevoel dat je familie aan de goede kant van de geschiedenis stond. Het is een geruststelling dat hij een hoger doel diende, ongeacht mogelijke gevolgen.’