This page contains a Flash digital edition of a book.
MAART n APRIL | 2012


9


Recovery Factory-project SHELL en TU DELFT


Een van de partners waar Shell mee samenwerkt in de zoektocht naar toekomstige, winnende technologieën is de Technische Universiteit Delft. Een samenwerking die recent bekroond werd met een vijfjaars ‘preferred partnership’. R&D afdelingen van Shell en onderzoeksgroepen binnen TU-faculteiten leefden al langer in een soort LAT-relatie, maar gaan nu een nieuwe fase in met een geregistreerd preferred partnership. In het Recovery Factory-project wordt gewerkt aan nieuwe technieken om het winningspercentage uit olie-


en gasreservoirs sterk te verhogen. Er zijn al grote stappen voorwaarts gezet. TEKST PETER KONTER BEELD TACO VAN DER EB/POLARIS | SHELL | MOKER ONTWERP


Cor van Kruijsdijk: “Reservoirmodellen zijn onontbeerlijk om tot goed onder- bouwde zakelijke beslissingen op een veld te komen”


Paul van den Hoek: “We zullen op meer plaatsen met minder putten toe kunnen”


Nieuwe algoritmen in geavan- ceerde meet&regel-methodieken, aangepaste modellering van reservoirs, nieuwe optische tech- nieken en optimale toepassing van chemische toevoegingen zullen het percentage winbare koolwaterstof- fen uit olie en gasreservoirs wereld- wijd op termijn sterk verhogen, zo voorspelt Cor van Kruijsdijk, toponderzoeker en gasthoogleraar aan de TU Delft en als adviseur bij het Recovery Factory-project betrokken. “Van 35 naar 50 procent, soms zelfs 60 procent. Op wereldschaal een enorme toename van beschikbare energie voor de wereldbevolking.” “TOT OP DE DAG van vandaag was het belangrijkste obstakel om tot een hoger winningsper- centage te komen, de ontoerei- kende kennis van de samenstelling van de ondergrond”, vertelt Van Kruijsdijk. ”De doorlaatbaarheid van gesteenten en de dikte van aardlagen en breuklijnen, bepalen in grote lijnen hoe olie, water en andere substanties zich bij explora- tie en productie gedragen.” ALS EENVOUDIGE winning onmo- gelijk blijkt, is het injecteren van grote hoeveelheden water in de ondergrond (waterflooding) een


gangbare techniek. Deze brengt een drukverhoging in het reser- voir teweeg waarbij de reste- rende olie- of gasvoorraad in de ondergrond naar de verschillende putten geblazen en geperst wordt. “Sinds 1997 werken we aan het concept smart wells, putten met meer controlemechanismen. Je wilt bijvoorbeeld graag het effect van het open en dicht zetten van de kleppen meten, of weten wanneer het water bij de put arriveert.” Als Shell en de acht onderzoeksgroe- pen van de TU Delft de kennis van de samenstelling van de ondergrond verder zouden kunnen vergroten en preciseren, zou dat de verdringingsinjectie-richting en efficiëntie van de winningstech- niek sterk verbeteren. “Maar we wisten er eigenlijk gewoon nog niet genoeg van. Een strategie die dáár wel goed werkte, werkte elders weer niet. Een wereld die niet bij je toepassing past.”


HET BALLETJE begon te rollen, zo verhaalt Van Kruijsdijk, tijdens een ‘doorbraakbijeenkomst’ met Pieter Kapteijn. Kapteijn, toen- malig leidinggevende binnen de Shell-innovatieafdelingen en ook ‘Delftenaar’, drong er op aan


dat de smart fields-technologieën van Shell en TU niet alleen verder ontwikkeld moesten worden, maar ook toegepast. “Het besef was: dít kunnen we nu - wat kunnen we er nog méér mee? Eye opener was de blaasvoetbal-metafoor. Daarbij blazen de spelers via hun blaaspijpjes de bal naar het doel. Naar olie- en gasboring vertaald: door de kleppen op verschillende manieren en/of tijdstippen open te zetten - en zo de reservoirdruk vanuit verschillende injectiepunten aanjagen of juist verminderen - zouden we de koolwaterstoffen daarheen kunnen blazen waar we ze willen hebben.” NOODZAKELIJKE voorwaarde voor succes was dat reservoirsimulaties en -modellen de realiteit beter zou- den moeten benaderen. “Reser- voirmodellen zijn onontbeerlijk om tot goed onderbouwde zakelijke beslissingen op een veld te komen, bijvoorbeeld waar wel, en waar niet, putten te slaan. De conclusie luidde dat innovatieve automatise- ring van dataverwerking en betere feedbackmechanismen als eerste de interpretatie van ondergrond- en putdata sterk zouden kunnen vereenvoudigen en verbeteren.” De processen en meettechnieken


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32