GeoScience QinetiQ hp AkerSolutions Petroleum Geo-Services Schlumberger
Polymer Technology Group VIRENT emgs IBM Fugro Scuderia Ferrari GETECH
Imperial College London University of Exeter ETH The University of Texas and Austin The University of Manchester University of Cambridge China University of Petroleum, Beijing KAUST Saint Petersburg State University MIT The Chinese Academy of Science TTU DELFTT
NGI Alberta Innovates Technology Futures ECN Idaho National Laboratory DPI SINTEF Energy Technologies Institute Biocoup TNO
gie en programma’s als Recovery Factory (Enhanced Oil Recovery).” De hogere complexiteit van samen- werking komt ook tot uiting in een overkoepelende structuur waarmee financiële en eigendomsaspecten van patenten (Intellectual Property) geregeld worden, een gezamen- lijke Supervisory Board, en vijf gezamenlijke programmacomités voor bijvoorbeeld Research & Development, Learning en HR (met name recruitment).
DE DERDE PILAAR bestaat uit
samenwerkingsverbanden met nationale researchinstituten zoals TNO en ECN (onafhankelijk onderzoeksinstituut voor duurzame energie), SINTEF (grootste onafhan- kelijke onderzoeksorganisatie van Scandinavië voor onder andere petroleum & energie, technologie- management, oceanologie), en consortia van partijen waarin deze instituten vaak een belangrijke rol spelen (PPS en JIP’s). “In PPS (Publiek-Private Samenwer- king) opereren diverse partijen - researchinstituten, andere bedrij- ven, universiteiten, en overheden - waarbij de overheid medefi nan- cier is”, legt Graafl and uit. Als lid van de Regiegroep Chemie
(één der negen ‘topsectoren van innovatie’), bestuurslid van NWO CW/ACTS, en voormalig JetNet- coördinator, geldt hij als kenner van zulke publiek-private consortia. “In Nederland werken we samen in consortia als CatchBio (kata- lysatoren voor biobrandstoffen), ACTS (katalyse), Dutch Polymer Institute (DPI) en CATO-2 (onder- grondse CO2-opslag, transport en verwerking ofwel CCS). In het Institute for Sustainable Process Technology (ISPT, het vervolg op DSTI) hebben de Nederlandse overheid, universiteiten en partners als Lyondell, Huntsman, Unilever, Heineken en Wintershall gezamen- lijk een (virtueel) onderzoeksinstituut opgezet.” Ander voorbeeld is het Energy Technologies Institute (ETI) in Engeland, dat versnelling van hernieuwbare energietechnologie met lage CO2-waarden beoogt. Graafl and noemt verder de Joint Industry Projects (JIP’s), waarin meerdere industrieën samenwerken aan grote uitdagingen op techno- logiegebied: “Industry Technology Facilitator (ITF) in Schotland is een organisatie die JIP’s opzet op diverse technologiegebieden. Een network & knowledge provider voor vijfentwintig partijen binnen
de olie- en gaswereld, waaron- der Shell. In Noorwegen maakt de overheid zich sterk voor JIP’s waarin Shell, Statoil en SINTEF met vele partners samenwerken.” Was er vroeger veelal sprake van een-op-een (bilaterale) samenwer- king, tegenwoordig zijn daar de PPS’en en JIP’s bijgekomen en, recent in Nederland, de samen- werking in topsectoren. Graafl and: “Welke samenwer- kingsvorm je kiest, wordt bepaald door de specifi eke ontwikke- lingsfase waarin de technologie zich bevindt. Kennisontwikkeling en exploratieve research kunnen plaatsvinden in PPS- en JIP-ver- band; in latere fasen van ontwik- keling is een bilaterale samen- werkingsvorm veelal de enige mogelijkheid.” Hij noemt het 4D-model: disco- very, development, demonstration, deployment (uitvinden/ontwik- kelen/testen & demonstreren/ toepassen). “In de eerste, pre-com- petitieve fase van kennisontwikke- ling wil je het liefst met meerdere partijen samenwerken om zo effi - ciënt mogelijk opties te genereren. In latere fasen, ‘2D of 3D’, werk je liever bilateraal en wat beter bevei- ligd de beste optie uit.” n