44
Ooggetuige
zonnetent op het voordek moesten lossnijden. Op mijn teken trokken we het doek over het gat. Dat was zwaar werk, want we hielden het doek met een slang nat. De vlam doofde vrijwel meteen.’
Gered ‘We hadden het schip gered en voelden ons kranig. Sommigen hadden brandblaren, we bleken één man te missen (waarschijnlijk verdronken) en we hadden twee zwaargewonden. Uiteindelijk was er maar tien ton brandstof verloren gegaan. Een bedankje van Shell, de eigenaar van het schip, hebben we nooit gekregen. Daar was ook geen tijd voor. Ook bij ons was de oorlog begonnen. We moesten de tanker nu weer vaarklaar maken. De brug en de stuurhut konden we niet meer gebruiken. Achterop hadden we een noodstuurinrichting met een klein stuurrad en een kompas. We gaven elkaar signalen om koers te houden. Achteruit varend bereikten we Pangkalansusu. Daar losten we de brandstof. Ik was die dag jarig, maar we hebben er niks aan gedaan. De stemming was gedrukt. Een van de gewonden was overleden in het ziekenhuis.’
Soerabaja ‘In konvooi gingen we vervolgens naar Soerabaja, waar ons schip werd gerepareerd. Met wat collega’s volgde ik bij de Nederlandse marine een kanonnierscursus. Kort erna begon de Japanse luchtaanval. In de haven stonden twee 10 cm-kanonnen. Deze mocht ik gebruiken. Militairen stelden de granaten af op een hoogte van acht à negen kilometer. Zo stond ik op de vliegtuigen te schieten. Ik zag kleine wolkjes bij de vliegtuigen, maar ik raakte ze niet. Totdat een van de toestellen hoogte verloor en we even later een grote paddenstoel zagen. Op een dag ging opnieuw het luchtalarm af. Een bekende met wie
ik in dienst was geweest, zei dat ik kon schuilen in zijn onderzeeboot. Die lieten ze zinken zodra de jappen eraan kwamen. Tijdens de aanval viel een hele rij bommen. Een pantserschip kreeg een voltreffer en zonk, een andere bom raakte de onderzeeër. Ik zag allemaal luchtbellen. Later hoorde ik dat aan boord veertien mensen waren gedood. Ik was er bijna bij geweest. De jappen rukten ondertussen verder op naar Soerabaja. In de haven werden schepen tot zinken gebracht om te voorkomen dat ze in handen van de vijand zouden vallen. Door een
‘ Wij moesten ons schip laten zinken. Ik ben niet gebleven om te kijken’
zeeblokkade durfden kapiteins niet meer uit te varen, of ze konden geen bemanning vinden die het risico wilde nemen. Er gingen verhalen rond over wreedheden van de jappen. Mensen hadden angst gevangen genomen te worden.’
Zeemanskist ‘Wij moesten ook ons schip, de Aldegonda, laten zinken en de papieren vernietigen. Samen met de machinist zette ik de afsluiters open zodat de tanks volliepen. Ik ben niet gebleven om te kijken. Later zag ik het schip op zijn kant liggen. Dat deed me niet veel. Wat me speet was dat ik mijn tailormade pak had achterge- laten en een zeemanskist die ik van mijn opa had gekregen. Ik meldde me bij een commandant van de marine. Die wilde met een mijnenveger een uitbraak forceren. De kans dat het zou lukken was gering,
zei hij. Hij gaf zijn mensen de keuze. Een paar matrozen en onderofficieren wilden mee. Ik ging bij hen staan. De commandant zei eerst dat hij geen burger mee mocht nemen, maar voor mij maakte hij een uitzondering. Zo kwam ik terecht op de mijnenveger
Hr.Ms. Abraham Crijnssen. We bedekten de boot met takken en struiken, zodra het donker was vertrokken we. We konden maar drie uur varen. Toen kwam de maan op. We kropen stijf onder de wal. Er waren nog twee andere mijnenvegers bij ons. Die waren niet gecamoufleerd. De commandant vond dat gevaarlijk en besloot zich af te scheiden. Later zijn beide schepen gebombardeerd. Bij daglicht lagen we voor anker, dicht tegen de eilandjes. De situatie aan boord was gespannen. Na enkele dagen kwamen we aan in Australië. Via een Rode Kruis-bericht liet ik mijn ouders weten dat alles goed was.’
Dwars ‘Pas in 1947, bijna negen jaar na mijn vertrek, kwam ik terug op Schiermonnikoog. Er was een ereboog voor mij gemaakt. Ook mijn familie had de oorlog overleefd. Al met al heb ik geluk gehad. Wat me nog altijd dwars zit is dat de gebeurtenis met de Aldegonda verkeerd is beschreven. In een rapport dat na de oorlog is uitgebracht, vertelt een van de bemanningsleden dat hij achter de brandende tanker een vlot had zien drijven met drie personen: de kapitein, de derde stuurman B. van Bon, en een Chinees. Volgens hem waren wij bij de aanval onmiddellijk overboord gesprongen. Méér wordt er over mij niet vermeld. Mijn aandeel was veel groter. Er wordt niet gezegd dat ik de motoren van het schip heb gestopt terwijl de anderen al in de boten zaten en dat ik terug ben gezwommen om de brand te blussen. Ik heb er geen punt van gemaakt, maar het zit me nog altijd dwars.’
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76