HOOFDAR TIKEL De ene graaskoe is de andere niet
Uit de beweidingsproeven op Dairy Cam- pus bleken de verschillen in grasopname tussen koeien aanzienlij k. Verder onder- zoek is nodig om na te gaan of een hoge opname ook synoniem is aan meer ren- dement. ‘Een koe met een hogere opna- me geeft misschien wel meer melk, maar de koe met de lagere opname is misschien wel effi ciënter’, beredeneert WUR-gedragsonderzoeker Kees van Ree- nen.
Ook de graastij d liet een koegebonden beeld zien. ‘Daarin zij n koeien heel con- sistent. Ongeacht jaargetij de of lactatie-
stadium blij ft een koe die relatief veel graasgedrag laat zien, altij d een koe die veel graasgedrag vertoont.’ Ook bij andere gedragskenmerken tij - dens weidegang zag Van Reenen con- stante
verschillen tussen individuele
koeien gedurende het seizoen, zoals bij lopen, liggen en ook de intensiteit van het herkauwen. ‘De variatie tussen koei- en is heel groot’, vertaalt Van Reenen. Onderzoek moet uitwij zen in hoeverre dit gedrag van belang is voor weiden en weidesystemen. ‘Dat levert wellicht ook aanknopingspunten op voor de fokkerij .’
Veel variatie in graasgedrag tussen koeien
vem-behoefte van de melkproductie ver- minderd wordt met de vem-input via be- kend voer, zoals kracht- en ruwvoer. ‘Uit deze proeven blij kt dat koeien meer gras opnemen uit het weiland dan waar we met de berekening van de vem-dekking op uitkwamen’, concludeert Galama, die ook meteen een verklaring zoekt. ‘Blij k- baar kosten weidegang en grazen meer energie dan we hadden gedacht.’ Een andere optie voor het berekenen van de grasopname is met behulp van de gras- hoogtemeter. Het verschil in gras bij in- en uitscharen is de hoeveelheid opgeno- men weidegras. ‘Ook dat is niet zo’n betrouwbare methode, geeft Galama aan. ‘Je hebt te maken met bossen in het wei- land en dan is het lastig bepalen hoeveel de koeien precies hebben opgenomen.’ Galama ziet in het schatten van de droge- stofopname van weidegras met de senso- ren veel voordelen. ‘Bij weiden heb je te maken met grasopname en de hoeveel- heid bij voeding. Melkveehouders blij ven continu aan deze twee knoppen draaien en dat maakt weiden lastig. Als de grasop-
name bekend is, kun je de bij voeding be- ter verfij nen. Het geeft aanknopingspun- ten voor een beter weidemanagement.’ Galama noemt bij voorbeeld het bij stellen van de hoeveelheid bij voeding. ‘Maar sen- sorinformatie kan je ook doen besluiten een perceel toch een keer te maaien, zo- dat de koeien weer op etgroen weiden.’
Variatie in grasopname Gemiddeld lag de opname op 13,7 kilo droge stof gras per koe per dag. Er waren echter ook koeien die maar 5 kilo droge stof opnamen, terwij l andere meer dan 20 kilo droge stof naar binnen werkten. Dat biedt weer stof voor verder onder- zoek, onder andere gedragsonderzoek (zie kader boven). ‘Wat maakt een koe een échte graaskoe?’, is volgens Van Ree- nen de centrale vraag. ‘Wat levert dit soort koeien extra voor melkveehouders op?’ Van de twee modellen die Van Reenen en Zom maakten om de grasopname te voor- spellen, is het model waarbij ureum en eiwit in de melk als voorspellers zij n op-
Met N-alkanen grasopname bepalen
De exacte grasopname van koeien is te achterhalen met de zeer betrouwbare, maar arbeidsintensieve N-alkanenme- thode. Op Dairy Campus is deze me- thode in 2015 gebruikt in beweidings- proeven met zestig koeien. N-alkanen zij n koolstofketens die een natuurlij k bestanddeel vormen van de waslaag van gras. Deze N-alkanen heb- ben als eigenschap dat ze onverteer- baar zij n én een oneven aantal koolstof- atomen hebben. Ze zij n dus terug te vinden in de mest. Door koeien een bekende hoeveelheid onverteerbare N- alkanen te geven met een even aantal
12 VEETEEL T MEI 1 2016
koolstofatomen (uit de opname van vers gras) kan uit de verhouding tus- sen even en oneven aantal koolstofato- men in de mest de grasopname uit de wei van individuele koeien worden be- rekend. Op Dairy Campus kreeg vorig jaar elke koe in de proef 500 gram speciaal krachtvoer waarin 1 gram alkaan zat verwerkt. Dagelij ks werden er gras- monsters genomen om het gehalte al- kanen in het gras te bepalen. Verder moet twee keer per dag van elke koe mest worden opgevangen.
genomen het meest betrouwbaar. Naast deze gegevens zij n ook de graastij d, gere- gistreerd met de neksensor, de melkpro- ductie, het lactatiestadium en de opper- vlakte per koe van belang. ‘Voor dit model moet je wel dagelij ks ureum en eiwit bij individuele koeien bepalen’, aldus Van Reenen. In het tweede model zij n eiwit en ureum niet nodig. In plaats daarvan wordt het aantal stappen geregistreerd met een stappenteller als voorspeller. Het onderzoek gaat dit jaar nog door, maar is naar verwachting binnen niet al te lange tij d praktij krij p. ‘Het model is ge- schikt om te integreren in een manage- mentsysteem voor weiden en kan zo vee- houders ondersteunen.’ De sensor kan tochtigheid signaleren , maar kan dan ook behulpzaam zij n bij het voorspellen van de grasopname. Wat volgt er nog meer? l
meer grasnieuws op
www.veeteelt.nl/gras Conclusies
– De individuele grasopname kan betrouwbaar voorspeld worden met de neksensor en activitei- tensensor of met de neksensor samen met melkkenmerken (ei- witgehalte en ureum).
– De voorspelde grasopname met sensoren is hoger dan de bere- kende grasopname op basis van vem-dekking en de variatie tus- sen dieren is groot.
– Signalen over graasgedrag bie- den mogelij kheden om de bij - voeding en het beweidingsma- nagement beter te sturen.
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56