Als op een verjaardagsfeestje ter sprake komt dat ik veteraan ben, dan houd ik het simpel. Over de missie vertel ik niet meer dan dat we mensen gingen helpen. Anders kom je onvermijdelijk terecht in jargon. Dat roept vragen op waarvan de antwoorden weer nieuwe vragen oproepen. Dan dwaal je af, wordt het veel te complex en loopt het verhaal vast. Voor de mensen die door blijven vragen, heb ik een panklaar verhaal. Ik vertel hun over de keer dat we een gewond meisje huilend aantroff en op de achterbank van een auto. Ik leg uit dat we haar hebben verzorgd, waarna een ambulance haar afvoerde naar het ziekenhuis. Het verhaal is waargebeurd en het laat zien dat het geen vakantie- kamp was. De gruwelijke details en de onzekerheid en de machteloosheid van dat moment laat ik weg. Ik heb gemerkt dat toehoorders genoegen nemen met deze uitgeklede versie; ze vragen niet meer door. Natuurlijk kan ik de ander wel bedienen met het hele verhaal. Dat zal diegene ook vast waarderen. Maar als ik die moeite neem, wil ik dat het voor mezelf ook een waardevol gesprek is. Dat is pas het geval als ik weet dat de ander het begrijpt. En dat kan alleen als die ander ook op missie is geweest of op z’n minst in oorlogsgebied heeft gezeten, bijvoorbeeld vanuit een niet-gouver- nementele organisatie (ngo). Want al schets ik nog zo beeldend hoe ik de kogels daadwerkelijk hoorde fl uiten rond mijn oren, het gevoel kan ik nooit overbrengen. En juist daar draait het om als je praat over oorlog.’