Klauwgezondheid verbetert met gerichte stierkeuze
Fokkerij speelt een bescheiden rol in de ana- lyse van klauwproblemen. Vooral omdat er op korte termijn weinig vooruitgang mee te boe- ken is. Maar juist daarom onderschatten vee- houders het effect ervan voor de lange ter- mijn. Pieter van Goor, fokkerijspecialist bij CRV, legt graag de cijfers op tafel van wat fokkerij kan betekenen voor de klauwge- zondheid op melkveebedrijven. ‘Dankzij Digi- Klauw weten we dat er enorme verschillen bestaan tussen de dochters van stieren. Zo hebben nakomelingen van Atlantic een derde minder klauwaandoeningen dan gemiddeld. Bij Paramount zien we juist een bovengemid- deld aantal dochters met klauwproblemen. Fokkerij speelt dus een belangrijke rol als
je werk wilt maken van klauwgezondheid.’ De fokwaarde klauwgezondheid stelt vee- houders in staat om stieren te selecteren die bovengemiddeld gezonde klauwen vererven. Van Goor wijst erop dat er in het huidige aan- bod 18 zwartbontstieren en 11 roodbontstieren staan die boven de 106 scoren voor klauwge- zondheid. ‘Wanneer je stieren inzet die ge- middeld 106 scoren voor klauwgezondheid, dan neemt het aantal klauwproblemen in een gemiddelde stal met tien procent af’, weet Van Goor. De ruime beschikbaarheid van stieren met een sterke fokwaarde klauwge- zondheid blijkt ook uit de genetische trend op dit kenmerk. Zowel bij zwart- als bij roodbont is die positief (figuur 2).
zwartbont
95 97 99 101 103 105
roodbont
’08 ’09 ’10 ’11 ’12 ’13 ’14 ’15 ’16 ’17 jaar
Figuur 2 – Genetische trend voor de fokwaarde klauwgezondheid bij stieren (bron: CRV)
De klauwgezondheid is volgens hem gebaat bij comforta- bele ruime ligboxen waar koeien grip hebben tijdens het opstaan. Verder is een korte wacht- of statijd en een rus- tige omgang met de koeien bevorderlijk voor gezonde klauwen. Net als schone vloeren en een goede ventilatie. ‘Wanneer de klauwen de kans krijgen beter op te drogen, is de infectiedruk lager. Een goede huisvesting en een lage infectiedruk gaan hand in hand’, weet Drint.
De spiegel van de koe Klauwverzorgers spelen een hoofdrol bij het beoordelen van klauwproblemen. ‘Met een koppelbekapping krijg je een mooie nulmeting, de klauwen zijn de spiegel van de koe’, vertelt Onno Jansma, klauwverzorger in Friesland. Hij gebruikt DigiKlauw om zijn klanten een overzicht te bieden van welke aandoeningen de meeste aandacht vra- gen. ‘Die vijf probleemkoeien kent elke veehouder, maar als alles zwart op wit staat, zie je pas echt wat er speelt. Stel dat mortellaro veel voorkomt, dan krijgt de veehou- der een passend advies voor de nazorg’, zegt Jansma. Koei- en met mortellaro zijn eenvoudig te rangschikken, zodat er een lijst ontstaat voor een gerichte nabehandeling. Ook Lucas Talsma legt graag het accent op het verzorgen van de klauwen. Talsma werkte twintig jaar op de prak- tijkschool in Oenkerk en is een ervaren klauwbekapper. Tegenwoordig is hij rundveespecialist bij Agrifirm. ‘Koei- en worden vaak te laat bekapt. De kunst is een koe te bekappen voordat ze kreupel is. Door goed te letten op klauwsignalen krijg je dat voor elkaar.’ Talsma doelt op
het zien trippelen van de koe, het lopen met een kromme rug of koehakkig staan.
Op grote bedrijven is het steeds lastiger om dit met het blote oog waar te nemen. Talsma verwacht dat drukmat- ten in de toekomst uitkomst bieden. In Vlaanderen be- staat enige jaren ervaring met de Gaitwise (zie pagina 38), een techniek waarbij sensoren kreupelheid voorspellen.
Hol of vlak bekappen
Marcel Drint adviseert om bij vaarzen al voor afkalven onder de poot te kijken. Daarmee zijn zoolbloedingen tijdens de lactatie te voorkomen. ‘Een optimale klauw- hoek en gelijke belasting van binnen- en buitenklauw zijn belangrijk. Wij pleiten daarom voor hol bekappen en niet vlak. De draagrand van de klauw moet de grootste last dragen, dat is het sterkste deel van de klauw’, stelt Drint. Volgens Talsma is de nazorg een ondergesneeuwd aan- dachtspunt. Drie weken na de behandeling van een klauwprobleem zou een koe eigenlijk opnieuw voor con- trole de bekapbox in moeten. Deze nazorg is nodig tot aan het moment van genezing. Maar het gebeurt in de prak- tijk te weinig. Talsma: ‘Je neemt daarbij het risico dat een koe na enkele maanden weer terug bij af is.’ Terug naar het schema van de GD. Infectiedruk, voeding en belasting vormen de risicofactoren voor een klauwpro- bleem. Daarom is een aanpak van klauwproblemen altijd maatwerk. Samenspraak met adviseurs is voor de korte termijn het devies. Op langere termijn kan de veeverbete- ring serieuze weerstand bieden tegen klauwproblemen. l
Lekkende darm beïnvloedt klauwgezondheid
Rantsoenen die ‘nafermenteren’ in het darm- stelsel van de koe kunnen blijvende schade aanrichten in de klauw. Vooral zetmeelrijke rantsoenen die de pens snel passeren, lo- pen het risico op nafermentatie. Pensverzu-
ring speelt zeker ook een rol, maar volgens de meest actuele inzichten is het de nafer- mentatie in de darm die klauwaandoeningen in de hand werkt.
In combinatie met stress laat de darm giftige
stoffen (LPS) makkelijker door. ‘Dit fenomeen wordt ook wel lekkende darm of “leaky gut” genoemd’, zegt Lucas Talsma, rundveespeci- alist bij Agrifirm. Subklinische bevangenheid is volgens Talsma het gevolg.
veeteelt MAART 1 2019 39
fokwaarde klauwgezondheid
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60