Vier North-American B-25 Mitchell's van het 18e Squadron zijn in 1944 op weg naar hun doel. Op het voorste toestel is
onder de cockpit het embleem Dutch cleanser aangebracht. Foto: NIMH
hebben we maandenlang niemand gezien. De bevolking zat in het bos en de Japanners, je zag er af en toe een paar, die moesten zich over- geven, maar die wilden niet. Dus: boem, boem!” Ook in Balikpapan werden ze vanuit de lucht aangevallen. “Die Japan- ners kwamen terug met zeven zero’s, die zogenaamde Spitfires van hen. Ze keerden naar zee om een betere aanval te kunnen doen. De Ameri- kanen hebben ze weggeschoten. Ik zie ze nog vallen in zee.” Ook het grondpersoneel van het 18e is hierbij betrokken: “Je kan je niet voorstellen hoe het is in een oorlog. Je moordt niet, je schiet omdat je in leven wil blijven. Je had er geen enkel idee van dat je iemand neerschiet. Je schoot en vijand weg, punt. Ja, want ze wil- den ons vernietigen.”
Indië Toen uiteindelijk de Japanse capi- tulatie kwam op 15 augustus werd Dompig met het nu volledige Neder- landse squadron, de Australiërs werden gedemobiliseerd, overge- plaatst naar de vliegbases Tjililitan op Java. Dompig zou al snel zijn toekomstige vrouw ontmoeten en trouwen. Net als de meeste anderen, zo legt hij uit. “Na de oorlog zijn de meeste jongens meteen getrouwd omdat wij in twee, drie jaar nooit een vrouw gehad hadden. Dus toen we in Indonesië aankwamen, ging het van ‘liefje’ en zo. En ja, dan ga je trouwen.” Dompigs eerste zoon zou in 1946 op Java geboren worden. Met de naoorlogse strijd in Neder- lands-Indië hadden Dompig en zijn
40 juni 2017
andere kameraden uit Suriname niet veel op. “We hadden getekend tot na de oorlog. Toen de oorlog afgelopen was, wilden we naar huis. Dat Nederland oorlog met Indonesië wilde voeren, was het probleem van Nederland.” Bovendien maakte hij mee dat door een luitenant lukraak Javanen werden doodgeschoten. Hij was daar samen met met een kame- raad getuige van. “Ik zei: laten we snel weggaan. Want ik had een tom- mygun en was in staat om die luite- nant weg te schieten. Want wat had- den die Javaanse jongens gedaan? Helemaal niks. Ik was er zelf bij. Dat is echt niet goed, we hebben veel kwaad gedaan daar.” Uiteindelijk werd Dompig met de hele groep Surinamers via Neder- land naar Suriname gerepatrieerd. Daarbij waren hun betaalboekjes, die ze moesten inleveren, ook nog eens kwijtgeraakt, waardoor ze – behalve de voorschotten die hen indertijd verstrekt waren – nooit fatsoenlijk salaris hebben gekregen.
Korea Het was nog niet voorbij voor Dom- pig. In Suriname aangekomen, was er geen werk en was het moeilijk voor zijn jonge gezin om een bestaan op te bouwen. Dompig besloot zich als vrijwilliger aan te melden voor Korea. “Feitelijk ging ik naar Korea om een huis te kopen. Dat had ik met mijn vrouw afgesproken”, geeft hij toe. Het viel hem niet mee: “Het is de rotste oorlog die ik heb meege- maakt. Het probleem in Korea was dat je niet wist wie de vijand was.” Des te schrijnender was het voor
Dompig dat een van de momenten waarop hij het grootste risico liep in Korea, het gevaar van de Ameri- kanen kwam. “Wij moesten munitie brengen voor de Nederlandse groep”, vertelt Dompig. Met een kameraad moest hij de Nederlandse militairen halverwege een berg bevoorraden. “En die Amerikanen kwamen met twee tanks en bombardeerden ons. Mijn kameraad raakte gewond. Zelf ben ik ook gewond geraakt, dat was hier (wijzend op zijn oor; red.). Drie inslagen van die tank kwamen vlak- bij en hebben mijn gehoor voorgoed beschadigd. Die kameraad van mij had een scheur van zijn buik tot aan zijn ballen. Hij zei: ‘Dompey, rennen dan! Ze gaan ons doodmaken, want die Amerikanen schieten verkeerd!’ Hij is toen weggerend, maar ik ben gebleven om die munitie te brengen naar de Nederlandse groep. Door die inslagen op nog geen 30 meter hoor ik tot op de dag van vandaag niet eens mijn telefoon rinkelen.” Dompig zou de rest van de oorlog zonder verdere kleerscheuren door- komen. Hij heeft nog steeds geen hoge pet op van de Amerikanen. “Munitie, dat hadden ze en daarmee demonstreerden ze wat voor vuur- kracht ze hadden. Maar de echte vechters waren de Nederlanders en de Fransen.”
Wens Na zijn tijd in Korea zou Dompig terugkeren naar Suriname, waar hij tot aan zijn pensionering zou blijven. Ook daarmee is hij voor wat betreft het meetellen van zijn ‘militaire jaren’ tussen wal en schip geraakt. Want hij ging uitgerekend met pensioen ten tijde van het con- flict van Bouterse met Nederland, Toch is Dompig geen ontevreden mens, integendeel. “Ik leef nog, ik eet nog, ik kan nog zelf koken”, ver- telt hij lachend. Dompig is zestig jaar getrouwd geweest totdat zijn vrouw overleed. Hij heeft vijf zonen en drie dochters met haar gekregen, van wie de oud- ste nu 70 jaar oud is. Hij is een trouw lezer van Checkpoint, maar miste de laatste jaren een verhaal over het 18e Squadron. Zijn grootste wens is om nog eens mannen te treffen die deel uitmaakten van dit squadron, al beseft hij heel goed dat hij een van de jongste was die erbij gediend heeft en dat er dus nog maar weinig meer in leven zijn.
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65