klachtenregeling 37
Volgens het RTG kan de tandarts-implantoloog deze beweringen onvoldoende onderbouwen door het ontbreken van het patiëntendossier. Wel bij de stukken bevindt zich een foto die de tandarts- implantoloog in augustus 2009 van het gebit van klager heeſt gemaakt. Op basis van deze foto oor- deelt het RTG dat hierop zodanige aanwijzingen voor (ernstige) parodontale afraak zichtbaar zijn – in het bijzonder botverlies – dat niet tot implantatie had mogen worden overgegaan zonder behandeling daarvan. Bij iemand met parodontitis bestaat een verhoogd risico op verlies van niet alleen de eigen tanden en kiezen, maar ook van implantaten. Be- handeling van de parodontitis is dan ook noodzake- lijk voorafgaand aan het plaatsen van implantaten. De tandarts-implantoloog had de verschijnselen van parodontitis met klager en tandarts F moeten bespreken en klager óf moeten terugverwijzen – wat het meest voor de hand ligt – óf zelf behandelen. De antibioticakuur, als preventieve maatregel rondom het implanteren, kan in dit verband niet als een toereikende behandeling gelden. Het RTG deelt ook niet de mening van de tandarts-implantoloog – die hij ter ziting heeſt geuit – dat er geen relatie is tus- sen parodontitis en peri-implantatitis. Indien zich bij het plaatsen van implantaten al schadelijke bac- teriën in de mond bevinden is de kans op peri-im- plantatitis aanzienlijk hoger dan wanneer dat niet het geval is. Dat de door de tandarts-implantoloog geplaatste implantaten thans nog alle in de mond van klager aanwezig zijn, doet aan het voorgaande onvoldoende af, omdat dit indertijd niet zonder meer voorzienbaar was. Het RTG concludeert dat de tandarts-implantoloog tekort is geschoten in de zorg die hij ten opzichte van klager behoorde te betrachten als bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet BIG, zowel ten aanzien van het pati- entendossier als ten aanzien van het implanteren in een parodontaal ongezonde situatie. Bij het bepalen van de maatregel neemt het RTG in aanmerking dat de tandarts-implantoloog geen blijk heeſt gegeven van inzicht in de onjuistheid van zijn handelen.
BESLISSING Het RTG berispt de tandarts-implantoloog.
Wie van de drie? COMMENTAAR
Mr. Bart Admiraal
Primum non nocere: breng geen schade toe, de eed van Hippo- crates van 400 voor Christus. Tegenwoordig schijnt er uitge- breide wetgeving (WGBO, WKKGZ, BIG, gedragsregels, protocollen) te moeten zijn om te proberen schade te voorkomen. Salus aegri suprema lex is ook zo’n onvergan- kelijk oudje: het belang van pati- ent is de hoogste wet. De prak- tijk is hier anders. Een tandarts noteert DPSI 3 maar informeert de patiënt niet. Hij stelt ook geen parobehandeling in maar verwijst na vier jaar naar een implanto- loog met het verzoek drie implan- taten te plaatsen. Daar geeſt pati- ent toestemming voor. Niet dui- delijk is of de patiënt goed is geïn- formeerd (WGBO). De afspraak wordt door de behandelaar gewij- zigd (toestemming?) in een aan- tal extracties en vier implantaten. Dus substantieel afwijkend. Klager gaat uiteindelijk zelf maar in 2014 naar een tandarts-parodontoloog. De vraag rijst: wie van de drie? Er wordt geen klacht tegen de tand- arts ingediend, die wel paropro- blemen diagnosticeert maar die niet met de patiënt bespreekt noch voorstelt het paroproto- col op te starten, in eigen prak- tijk dan wel op verwijzing naar een parodontoloog. De implan- toloog verwijst niet terug en zet geen parobehandeling in. Bingo. Onbegrijpelijk, want implante- ren in een mond met paro- dontitis… Maar ja, de verwij- zend tandarts mikt de pati- ent over de verkeerde heg en komt ermee weg. De implan- toloog voldoet verder ook
NEDERLANDS TANDARTSENBLAD jaargang 72/20, 8 december 2017,
www.ntdigitaal.nl
niet aan de eisen met betrekking tot dossiervorming, een ondui- delijke analodigitale mix. Num- mer 3: de opvolgende tandarts, gooit het dossier weg… Geldt voor hem geen bewaartermijn? – maar ook tegen hem wordt geen klacht ingediend De implantoloog komt er niet mee weg, want er is een bewaarplicht van vijſtien jaar die ook geldt voor overdragende par- tij. Het RTG is klip en klaar in zijn uitspraak en het is ook in het veld al jaren duidelijk: geen implanto- logie en restauratief werk bij paro- dontitis, eerst een gezond funda- ment. En ook in deze zaak is van toepassing dat er geen inzicht is in gemaakte fouten. In de toekomst: veel onduidelijk verwijzen, nog meer differentiëren, dentaal Baby- lonië in woord en geschriſt, dan is voor elke hamer alles een spijker, en volgt zoals hier een openbare berisping. Primum non nocere.
Mr. Bart Admiraal is jurist, tandarts np sinds 2013 en sinds 1983 tand- heelkundig adviseur op het terrein van het gezondheidsrecht. Wilt u reageren op zijn commentaar:
nt@knmt.nl.
NEDERLANDS TANDARTSENBLAD jaargang 72/20, 8 december 2017,
www.ntdigitaal.nl
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52