praktijk 27 DE WET DBA
Kabinet Rutte 3 zint op aanpassingen
De anderhalf jaar geleden ingevoerde Wet DBA is, op z’n zachtst gezegd, erg ingewikkeld. De nieuwe regering wil hem daarom op verschillende punten aanpassen. Hebben die eventuele aanpassingen consequenties voor tandartsen – praktijkhouders en tandartsen-zzp – en zo ja, welke?
TEKST: HARRY KORVER, KNMT; BEELD; SHUTERSTOCK D
e invoering van de Wet Deregulering Beoorde- ling Arbeidsrelaties, in mei 2016, heeſt niet het resultaat opgeleverd dat de overheid er van
verwachte. De afschaffing van de VAR en het vrijstel- len van opdrachtgevers van de inhoudingsplicht voor de loonheffingen als er wordt gewerkt met, en con- form een door de Belastingdienst positief beoordeelde overeenkomst van opdracht, heeſt vooral gezorgd voor onzekerheid. De staatssecretaris van Financiën heeſt mede daarom besloten om niet handhavend op te tre- den wanneer opdrachtgevers en opdrachtnemers de regels niet juist uitvoeren. Deze periode van niet-handhaven geldt tot 1 juli 2018 en geeſt ten minste aan de opdrachtgevers de zekerheid dat zij niet zullen worden geconfronteerd met nahef- fingen. Gedurende deze termijn denkt de overheid na over het aanpassen van de beoordelingscriteria, zodat opdrachtgevers en opdrachtnemers beter in staat zijn om in te schaten op welke wijze hun arbeidsrelatie wordt beoordeeld. In het regeerakkoord is opgenomen dat de Wet DBA wordt vervangen.
Onzeker De periode van het niet-handhaven heeſt geen invloed op de beoordeling van het ondernemerschap van de opdrachtnemer onder de huidige regelgeving. Met het vervallen van de VAR beoordeelt de Belastingdienst achteraf of een tandarts-zzp is aan te merken als een ondernemer voor de Wet Inkomstenbelasting. Daarbij
worden de verschillende opdrachten zowel afzonderlijk als in samenhang beoordeeld. Dit om te bepalen of er in voldoende mate sprake is van ondernemersrisico’s en voor ondernemers kenmerkende activiteiten. Deze ondernemerskenmerken zijn structureel of als keuzes opgenomen in de modelovereenkomst van opdracht voor tandartsen, zoals die gezamenlijk is ont- wikkeld door de KNMT, ANT en VvAA. Kern is dat een dergelijke overeenkomst wordt aangegaan voor een bepaalde duur, en idealiter in verband met een bijzon- dere situatie die de reden is om een vervanger aan te stellen (waarneming), of het aantal tandartsen tijdelijk uit te breiden (praktijkmedewerking). Tijdelijkheid is echter in de relatie tussen patiënt en behandelaar niet altijd wenselijk. Het is begrijpelijk dat veel samenwer- kingsrelaties tussen opdrachtgever en tandarts-zzp een meer duurzaam karakter hebben. Een meer duurzame samenwerking is echter van invloed op het onderne- merschap van de tandarts-zzp.
Uitspraak Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeſt zich recent uitgesproken over het ondernemerschap van een tand- arts die gedurende een langere periode hoofdzakelijk met opdrachtgevers in één praktijk heeſt samenge- werkt. De zaak heeſt betrekking op de periode dat de VAR nog gold, waarbij de Belastingdienst een eerder oordeel over het ondernemerschap van deze collega heeſt herzien. Op basis van de werkelijke situatie vond
NEDERLANDS TANDARTSENBLAD jaargang 72/20, 8 december 2017,
www.ntdigitaal.nl NEDERLANDS TANDARTSENBLAD jaargang 72/20, 8 december 2017,
www.ntdigitaal.nl
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52