EXPER RUNDVEEHOUDERIJ T
VERMINDERING Zorgenkindje? NITRAAT -
UITSPOELING BLIJFT NODIG
Wim van Dijk, onderzoeker bodem- en nutriëntenmanagement, Wageningen Plant Research
T
oen ik begin jaren negentig als onderzoeker begon, vond ik een rapport op mijn bureau waarin werd beschreven dat je met 300 ton mest goede mais kon telen! Tijden zijn veranderd. Inmiddels zijn de mestgiften op mais gedeci- meerd. En dat is niet ten koste gegaan van de opbrengst. En we hebben via onderzoek laten zien dat met teeltaan- passingen verdere beperking van de uitspoeling mogelijk is. Bijvoor- beeld via het telen van een geslaagd vanggewas of, daar waar zinvol, het toepassen van rijenbemesting. Toch zien we in de praktijk nog vaak hoge nitraatgehalten op maispercelen. En duiken in beleidsdiscussies zelfs maatregelen als teeltverboden op in regio’s met te hoge nitraatuitspoe- ling. Dat is jammer, want mais past uitstekend in een rantsoen met gras. En de kennis is er om het gewas op een goede manier te verbouwen. Toch lijkt er sprake te zijn van een verschil tussen dat wat technisch kan en de praktijk. Discussies gaan ook vaak over regels en beperkingen die de maisteler worden opgelegd, vooral op zand- en lössgrond. Denk aan het verplichte vanggewas of het verbod om mest vóór 15 maart uit te rijden. Natuurlijk begrijp ik ook wel dat zulke regels allerlei praktische gevolgen kunnen hebben, maar als gewasdeskundige kan ik er eerlijk gezegd niet zoveel tegen inbrengen.
De basis ligt bij een juiste mestgift toegediend op het juiste moment. Dat is bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de zaai van de mais. De regel dat de mest op maisland pas na 15 maart mag worden toegediend past daar uitstekend bij, de aanvankelijke 1 april is nog beter. Dat is goede landbouwpraktijk, niks op af te dingen. Deze ‘15-maart-regel’ vervangt de verplichting tot rijenbemesting. Rijenbemesting kan nuttig zijn, maar dan moeten de omstandigheden gunstig zijn, anders span je het paard achter de wagen door structuurschade. En ook de beschikbaarheid van hiervoor geschikte, lichtere machines is hierbij van belang. Verder zien we ook dat steeds meer mais in wisselbouw met gras wordt geteeld. Op zich een goed systeem, mits goed doordacht en juist uitge- voerd. Na het scheuren van gras komt veel stikstof vrij en kan de bemes- ting van de mais fors omlaag. Ik bespeur nog wel eens huiver om dat te doen. Het is echter zonde van de mest, het leidt tot extra uitspoeling en de mest is op het nieuwe gras beter te gebruiken.
Ook een geslaagd vanggewas is van belang. Als je om je heen kijkt in de herfst en winter zie je dat de ontwikkeling van vanggewassen nogal eens tegenvalt. Voor een geslaagd gewas is een tijdige zaai belangrijk, bij voorkeur in de tweede helft van september. De regel dat een vanggewas uiterlijk 1 oktober moet zijn gezaaid is dan logisch. Natuurlijk is het geen garantie, maar hoe meer groeitijd, hoe hoger de slagingskans. En een geslaagd vanggewas geeft bovendien ook extra organische stof. Samenvattend: er zijn goede mogelijkheden om de nitraatuitspoeling bij mais te verminderen. Ik zou zeggen: laten we ons vooral daarop rich- ten en minder steggelen over wettelijke beperkingen.
BOERDERIJ 106 — no. 11 (8 december 2020)
R31
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32