search.noResults

search.searching

dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
RUNDVEEHOUDERIJ INTERVIEW


Cumela koepelorganisatie voor loonwerk


Twan Gubbels is bestuurder in de sectie Agrarisch Loon- werk. Cumela noemt zichzelf de brancheorganisatie voor groen, grond en infra. Leden zijn actief in agrarisch loonwerk, meststoffendistributie en grondverzet en cultuurtechniek. De ledenorganisatie behartigt de belangen van zo’n 3.000 leden in de drie genoemde sectoren en is het orgaan dat via lobby overlegt met de overheid over bijvoorbeeld regelgeving. Het draagt bij aan een gezonde werkomgeving en ondersteunt innovaties. Ook overlegt de organisatie met wegbeheerders in het kader van veiligheid en bereikbaarheid. Met dit alles wil de organisatie een gelijk speelveld creëren voor alle leden.


ging naar meer eigen eiwit houdt dat deels tegen. Omdat men denkt dat mais weinig eiwit opbrengt, maar dat is niet helemaal terecht. Mais met 8% eiwit en een op- brengst van 20 ton droge stof brengt 1.600 kilo eiwit. Gras brengt met 18% en 12 ton droge stof 2.160 kilo eiwit. Dat verschil is dus niet zo groot.”


En andere gewassen als sorghum of voederbieten? “Ik vind het prima dat veehouders dat proberen. Je moet doen wat bij je past. Maar in mijn optiek haalt sorghum het lang niet bij mais in zetmeel en droge stof. Voederbie- ten is prima voer, maar de teelt is duur, want je moet veel spuiten. En de verwerking en bewaring is lastig. Wil je bietenproduct voeren, bestel dan wat vrachten perspulp.”


En een verschuiving richting kor- relmais of mks?


“Daar zie ik ook weinig toegevoegde waarde. In mks zit zo’n 1.200 VEM. Dat is maar 200 VEM meer dan in snijmais. We halen die waarde door- dat we hoog stoppelen. Op zo’n 40 centimeter. De stoppel bevat amper voederwaarde en zit vol gronddeeltjes en schimmels. Dat wil je niet in je kuil. Voer moet schoon zijn. Dat geldt ook voor gras. Daarom werken we bij de grasoogst tegenwoordig met een bandhark. Je moet zorgen voor weinig


Hoe pak je de gewasbescherming aan? In een bespui- ting voor opkomst zet je de mais niet een week stil. Dat kan de opbrengst helpen stuwen? “Wij spuiten ook wel Merlin voor opkomst, maar niet als het te droog is. Net als bij bemesting en grondbewerking moet je acties uitvoeren als de tijd ervoor geschikt is. In de gewasbescherming betekent dat vroeg spuiten; in het tweede of derde bladstadium. Hierbij zorgt gps ervoor dat er geen overlap is doordat we de doppen per 25 centime- ter kunnen afsluiten. Dan is de mais nog zo klein dat het amper middel opvangt. En dus wordt het ook niet terug- gezet, terwijl het onkruid dan wel weg is. Voor de nakie- mers mengen we Frontier bij. Dat werkt prima.”


‘Er is een


landelijke deken van regelgeving, terwijl maar


enkele gebieden de nitraatnorm overschrijden’


grondvervuiling en dus een laag ruwasgehalte halen. Dat kan met deze machines.”


20 ton droge stof aan mais haal je ook niet zomaar? “Wel als je het goed doet. Al mijn machines zijn uitge- rust met gps en dataloggers. Op de hakselaar meten we opbrengst, zetmeel en droge stof. Daar maken we voor elk perceel en voor elke klant kaarten van. Dus we weten exact waar de opbrengst in een perceel minder is. Daar kan je wat aan doen. We nemen rondom zo’n plek in een ring bodemmonsters om het onderliggende probleem te vinden. En dat kan je dan aanpakken via bijvoorbeeld bekalking of bemesting. Daarom gebruiken we ook vloei- bare meststoffen, om plaatsspecifiek te reguleren.”


R20


Wat levert al die inspanning op? “Ik durf te stellen dat mijn klan- ten gemiddeld 5 tot 10% meer opbrengst halen. Dat moet ook, want ik ben niet de goedkoopste loonwerker. Die positie moet je verdienen, waarmaken en ook het bewijs aanleveren. Dat kan ik via de opbrengstmetingen. Boeren ervaren het ook zelf in de praktijk. Zo heb ik een klant die jaarlijks 13 hectare mais inkuilt. Vorig jaar was de opbrengst zo hoog dat hij 2 hectare moest verkopen. Het pas- te niet meer in zijn sleufsilo’s. Een


heel nieuwe situatie, die bewijst dat het beter kan, als je de accenten op de juiste plek zet.”


Wat vind je van de beweging dat loonbedrijven de gehele ruwvoerteelt verzorgen voor de veehouder? “Ik sta mijn klanten bij met advies, overleg over de aan- pak van de ruwvoerteelt, dus gras én mais, maar uitein- delijk beslist de veehouder. Hij is en blijft verantwoor- delijk voor zijn bedrijfsvoering. Als ik voor sommige klanten de ruwvoerteelt zou overnemen, loop je toch het risico dat ik daar misschien net een stapje harder voor loop. En dat gaat ten koste van andere klanten. Dat kan niet. Ik wil voor elk bedrijf het beste loonbedrijf zijn, niet voor enkele.”


BOERDERIJ 106 — no. 11 (8 december 2020)


FOTO’S: RONALD HISSINK


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32