RUNDVEEHOUDERIJ
baar zijn dat de mais ze niet meer volop kan benutten. Een goede nateelt moet die mineralen wegvangen zodat stikstof over de winter wordt getild en niet uitspoelt.
Gewasbescherming
Een ander punt van aandacht is de gewas- bescherming. In de officiële proefvelden, maar ook in die van de kweekbedrijven zelf, wordt bijna altijd een voor-opkomst- bespuiting toegepast met een bodemher- bicide. Als de onkruiddruk niet te hoog is, volstaat dat meestal. In de praktijk wordt echter bijna altijd een bespuiting toegepast als de mais rond het derde bladstadium is. In een vroeg stadium zijn de gevolgen beperkt, maar zeker een late bespuiting zet de mais echter even stil. Ze- ker als de plant al enige stress ervaart kan de opbrengstderving van een bespuiting zomaar oplopen tot zo’n 5%. De teeltdes- kundigen adviseren daarom in overleg te gaan met het loonbedrijf om de opties van een voor-opkomstbespuiting te bespreken. Accepteer dat nog een lichte correctiebe- spuiting voor nakiemers nodig kan zijn. Dat betekent wel mogelijk twee rekenin- gen, maar door de lage dosering die in de correctiebespuiting toegepast kan worden, zal de totale rekening niet veel meer dan € 50 extra zijn. Als dat afgezet wordt tegen 750 kilo droge stof meer opbrengst x 15 cent per kilo drogestofwaardering van eigen ruwvoer, dan kan dat altijd uit. Voorwaarde is wel, zoals aangegeven, dat de onkruiddruk op het perceel laag is; én
Het zaaitijdstip en met name de zaaibedbereiding hebben directe invloed op de opbrengst van de maisteelt.
de bodem moet voldoende vochtig zijn om de bodemherbiciden goed te laten werken. Een zeer vroege bespuiting in het tweede bladstadium met lage dosering en een eventuele correctie met lage dosering kan ook goed uitpakken.
Ras en zaaitijdstip
De opbrengsten van de vroege rassen heb- ben een inhaalslag gemaakt ten opzichte
Met name in de zandgebieden waar ruwvoeropbrengsten de laatste jaren niet meevielen, kiezen boeren om een vanggewas, zoals hier een roggeteelt, te oogsten.
R30 BOERDERIJ 106 — no. 11 (8 december 2020)
van de middenvroege rassen. Sommige vroege rassen realiseren zelfs een bete- re opbrengst dan enkele middenvroege rassen. De vraag is echter of rassen uit een bepaalde vroegheidsgroep wel op de betref- fende bodem kunnen, en in het noorden van Nederland zijn middenlate rassen eigenlijk vaak te laat om op tijd te kunnen oogsten. Daarbij komt dat op de zand- en lössgronden een verplichting geldt voor inzaai van het vanggewas vóór 1 oktober. Omdat de ervaringen in het eerste jaar van verplichting, 2019, niet geweldig waren, kiezen veel telers toch voor een vroeg ras om ná de oogst het vanggewas te kunnen zaaien. Maar ook binnen een vroegheids- groep zitten verschillen in opbrengst. Het zaaitijdstip vormt nog altijd voer voor discussie. Er is geen eenduidig advies. Vroeg zaaien betekent meer groeidagen. Maar mais is wel een gewas dat na opkomst het liefst vlot moet doorgroeien. Bij te vroege zaai kan, vooral door kou de mais zomaar een week of zelfs twee stilstaan. Dat is niet gunstig voor de onkruiddruk. Soms wordt er al gestart rond 10 april, maar dat is volgens de deskundige toch echt te vroeg. Te laat zaaien betekent áltijd verlies van droge stof. Vooralsnog blijft inzaaien tussen 20 april en 5 mei veelal de meest ideale periode, waarbij de vroegere, hooggelegen zandgronden eerder rond 20 april zullen zitten terwijl de wat latere, nattere bodems meer richting 5 mei zullen gaan.
FOTO: HENK RISWICK
FOTO: MICHEL VELDERMAN
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32