NUMMER 10 I 15 MAART
Belgische windmolenparken zouden vergeleken met Nederlandse overgesubsidieerd worden
BRUSSELS In België heerst grote verwarring en commotie rond de vraag of de federale regering de windmolen- parken op zee al dan niet oversubsidieert. Volgens een nieuw en vertrouwelijk rapport van de federale energie- waakhond CREG (Commissie voor regulering van de energie- en gasmarkt) zouden de kosten voor de bouw van de Belgische windmolenparken in de Noordzee aanzienlijk hoger liggen dan die in Nederland.
JAN SCHILS
De Vlaamse Radio en Televisie (VRT) bere- kende op basis van het vertrouwelijke rapport van de CREG dat de twee nieuwe windmolen- parken (Rentel en Norther) in het Belgische deel van de Noordzee door oversubsidiëring 2 miljard euro duurder zijn dan gelijkaardige windmolenparken in het aangrenzende Nederlandse deel van de Noordzee. Na kritiek uit de windenergiesector gaf de radio- en tv-zender toe, dat bij de bouw van offshore windmolenparken in België zowel andere criteria voor de toewijzing daarvan als voor de steunverlening worden gehanteerd dan in Nederland, waardoor de prijsverschillen verklaard kunnen worden.
Maar de VRT had nog maar nauwelijks het bericht over de ‘oversubsidiëring’ gebracht of de oppositie in het Belgische parlement was er als de kippen bij om deze ‘kolossale geldverspilling’ aan te klagen. Parlementsle- den van de regeringspartijen wisten daarop niets beters te doen dan onder druk van de groene en socialistische oppositie en zonder dat eerst de windmolensector werd geraad- pleegd laconiek in de pers te verkondigen dat de subsidies voor de bouw van nieuwe windmolenparken in de Noordzee drastisch omlaag zouden gaan, mogelijk zelfs met de helſt. Energiespecialiste Leen Dierick van de regeringspartij CD&V eiste nadere informatie over de beweerde oversubsidie. Een van de grote en doorslaggevende verschillen bij de bouw van windmolenpar- ken in Nederland en België is, dat in ons land aanbestedingen (tenders) worden uitgeschre- ven voor de bouw van windmolenparken waardoor de kandidaat-bedrijven elkaar beconcurreren op prijsniveau om de opdracht binnen te krijgen. In België daarentegen werkt de regering met het systeem van het verlenen van concessies aan bedrijven (consortia), waardoor deze concurrentiefac- tor niet speelt omdat er gewoonweg geen concurrerend bedrijf is. In het verleden zijn wel eens vragen gesteld bij deze methode van toekenning van concessies door de politiek aan bedrijven, waardoor gemakkelijk de deur geopend wordt naar vriendjespolitiek en (erger nog) corruptie. De federale minister van energie, Marie- Christine Marghem, reageerde intussen uiterst verveeld op het rapport van de CREG. Ze wijst erop dat de energiewaakhonden de afgelopen jaren nooit vraagtekens zette bij de overheids- subsidies voor windenergie op zee en vorig jaar nog verklaarde dat daarvan ook geen sprake was. Volgens Marghem nam de CREG de kwestie pas serieus toen zij zelf vroeg om
een vergelijking te maken met de Nederlandse windmolenparken Borssele 1 en 2.
Bijna identiek De Belgian Offshore Cluster (BOC), de vereniging die de Belgische toeleveranciers van de offshore-industrie vertegenwoordigt en de Kamer van Koophandel in West-Vlaan- deren, die nauw betrokken is bij de bouw van windmolenparken op zee, zijn niet te spreken over de (wat zij noemen) “ongenuanceerde berichtgeving” over de Belgische windmolen- parken op zee: “De verschillen tussen de Belgische en de Nederlandse steunverlening voor de windmolenparken worden volgens hen onvoldoende benadrukt”. Het Deense concern Dong Energy mag de Nederlandse windmolenparken Borssele 1 en 2 bouwen voor een gegarandeerde energie- prijs van 72,70 euro, terwijl België voor de nieuwe parken van Rentel en Norther (in uitvoering) een prijs tussen de 124 en 130 euro per megawattuur garandeert. Daardoor lijkt het alsof België 2 keer zoveel betaalt als Nederland, maar dat klopt niet, aldus de BOC, die vervolgens de volgende uitleg verschaſt: “Voor het Nederlandse windmolenpark Gemini dat momenteel wordt gebouwd, betaalt de Nederlandse overheid een LCOE-kost (levelized cost of energy) van 165 euro. Omgerekend naar Belgische omstandig- heden (19-jarige concessie) komt dat neer op een prijs van 123,5 euro per MWh. Dat is bijna identiek aan de Belgische steunverlening van 124 euro per MWh. De Belgische parken situeren zich qua steunverlening op het Europese gemiddelde. Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk betalen zelfs meer”, zegt Christophe Dhaene, voorzitter van BOC. “Er is dus geen sprake van oversubsidiëring. Wel is het zo, dat door het Deense Dong Energy een dalende trend is ingezet. Dat opent perspectieven voor de windmolenpar- ken die nog moeten worden gebouwd. Dankzij de pioniersrol die België heeſt gespeeld in de ontwikkeling van de parken, hopen we straks met onze bedrijven in het toppeloton mee te rijden bij de wereldwijde expansie van windenergie. Dat zal een mooi terugverdieneffect opleveren voor onze economie”.
Grote verschillen De ondernemingen die in de Belgische parken investeren, moeten heel wat meer kosten maken en risico’s nemen. In Nederland zorgt de overheid zelf voor de voorbereidende werkzaamheden zoals zeebodemonderzoek,
windstudies, meteorologische studies en duurt een vergunningentraject veel korter dan in België. De netaansluiting van een windmolenpark met het hoogspanningssta- tion wordt in Nederland door netbeheerder Tennet, de Nederlandse tegenhanger van het Belgische Elia, uitgevoerd en onderhouden. Bovendien ontvangt de ontwikkelaar een vergoeding als de connectie niet tijdig wordt opgeleverd of als die niet beschikbaar is. Belgische windmolenparken moeten zelf de kabel tussen het windmolenpark en het land aanleggen en gedurende de volledige exploita- tieperiode onderhouden. Zij nemen daarbij ook het volledige productie-risico op zich. Er bestaan ook grote verschillen in capaciteit en opbrengst van de windmolenparken. De ruimere concessieoppervlakte van Borssele garandeert een hogere energieproductie. Er zijn geen (interne) parkeffecten. In de Belgische zone staan de windmolens dichter bij elkaar. Bovendien zijn ze in diepere zones gelegen, met een kleiige bodem tussen de zandbanken. Tenslotte is er ook sprake van een timing-effect. De Borssele offshorewind- molenparken zullen namelijk pas over enkele jaren worden gebouwd. Daardoor kunnen de ontwikkelaars nieuwere (nog onbestaande) windturbinetechnologie toepassen die meer energie per windmolen op zal leveren.
15
Nog wel rendabel? De sector van de windmolenparken op het Belgische deel van de Noordzee is niet gerust over een goede afloop van de discussie, die is ontstaan over het probleem van de oversubsidiëring. Wanneer de regering in Brussel toch flink zou snijden in de subsidies, ontstaat de vraag of het nog wel rendabel is windmo- lenparken te bouwen, aldus een woordvoerder uit de sector. Als het werkelijkheid wordt dat er fors wordt bezuinigd op de subsidies, kan de vermindering van deze steun voor drie nog geplande offshore windmolenparken ( Northwester 2, Seastar en Mermaid) al gauw oplopen tot 3,5 miljard euro. Van de betrokken consortia maken respectie- velijk onder meer deel uit: Colruyt (Northwester 2), baggerbedrijf DEME, de gemeentelijke groenestroomproducent Aspiravi en de Luikse gemeentelijke intercommunale Nethys (Seastar van het Otary consortium) en Mermaid (Otary en Engie Electrabel).
We have during the past year produced the following publications for you
Want to read them again? Then download the app
This year, the Offshorekrant will be published on 15 March, 21 June, 27 September and 27 December.
Want to know more? Call us: +31 10 413 16 79.
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20