Interview
Ilja Gort met zijn Caroline
Hoe reageerden je ouders? ‘Mijn vader zei: als jij niet naar school wilt, moet je werken. Daar ben ik hem zeer dankbaar voor. Ik werkte in een drukkerij: herrie, om zeven uur er zijn, alsmaar kijken op die klok. Toen dacht ik bij mezelf: ik wil nooit meer werken. En dat heb ik ook nooit meer gedaan. Alleen nog plezier gemaakt. Al snel begonnen de bandjes waar ik in speelde het goed te doen. We speelden een paar keer per week en ik verdiende al snel meer dan mijn vader.’
Was de overstap naar de reclame niet fout in die tijd? ‘Ja, in dat tijdsgewricht maakte reclame deel uit van het imperialis- tische regime. Maar dat maakte mij niet zo veel uit, want ik vond het ontzettend leuk. Mijn carrière in bands zat in een neerwaartse spiraal. Ik werd producer, maar ik maakte alleen maar platen die niemand wilde kopen. Tot ik een hit kreeg en iemand vroeg of ik een jingle wilde maken. Ik maakte kennis met de reclamewereld en voor het eerst voelde ik mij ergens thuis. De reclame was toen nog een onontdekte wereld. Er zaten allemaal jongens net als ik: rare fi guren, dwarsliggers, maar wel hele gedreven, creatieve mensen die geïnteresseerd vroegen wat ik ervan vond. Ik vond het fantastisch!’
Hoe kwam je dan bij de wijn terecht? ‘Ik was al sinds mijn jeugd lyrisch van Frankrijk. Toen ik Château de la Garde voor de eerste keer zag, in 1994, was het alsof de bliksem insloeg: ik was op slag smoorverliefd. Ik kon aan niets anders denken dan aan dat chateau, wilde zonder niet meer leven. Het ligt op een heuvel, kijkt uit over de Dordogne, kilometers wijnranken en oude eikenbomen waar eekhoorntjes overheen hippen. Het is een woest romantisch kasteel.’
Maar had je verstand van wijn maken? ‘Nee, absoluut niet. Dus zocht ik mensen die daar wel verstand van hebben. Ik zette een conservatieve Franse wijnboer en een hypermo- derne Australische winemaker bij elkaar. In Frankrijk heerste destijds de opvatting dat een beetje bacteriën in de wijn geen kwaad kan, dat
10
het hoort bij het gistingsproces. In Austra- lië was een nieuwe school van roestvrij- staal, koeling en hygiëne. Die twee botsten dus behoorlijk, maar het leverde wel goede wijn op. We wonnen veel prijzen met onze wijn, maar ik had met de Australiër een constant verschil van mening over hout. Ik vond dat wijn naar druiven moet smaken, hij vond dat wijn naar hout moet smaken. We wonnen wel prijzen met die houtwijn, maar ik vond het niet lekker, dus wil ik het niet. Want ik ga er altijd vanuit: als ik het lekker vind, zijn er altijd wel een miljoen andere gekken die het ook lekker vinden.’
Hoe combineerde je het chateau met je reclamewerk? ‘Dat ging niet. Je kunt niet én een vrouw én een minnares hebben. Er zijn mensen die dat kunnen – ik heb het in het echt ook een tijdje geprobeerd - maar ik word er erg onrustig van. Mijn reclamewerk was inmiddels een heel bedrijf met mensen in dienst. De wijn zag ik meer als hobby. Zes jaar lang probeerde ik het te combineren. Maar waar ik ook was, voelde ik mij elders tekortschieten. Uiteindelijk heb ik mijn muziekbedrijf in 2000 verkocht. Ik was vrij. En heel erg bang. Dat chateau maakte namelijk heel veel verlies.’
Hoe werd de wijn toch een succes? ‘Ik heb heel duidelijk in mijn hoofd wat ik wil en wat ik lekker vind en ga daarin mijn
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55