Klimaatverandering en een duur- zame energievoorziening. Beide waren leidend in het besluit van de overheid om in 1997 een haalbaarheidsstudie te verrichten naar een honderd Megawatt (MW) windpark op de Noord- zee. Het toenmalige kabinet Kok I (1994-1998) beschouwde offshore windenergie als dé belangrijkste duurzame energiebron voor ons land. En daarmee kwamen de eerste contouren van een wind- park op de Noordzee voor de Nederlandse kust voorzichtig in beeld. Het duurde uiteindelijk tien jaar voordat Offshore Windfarm Egmond aan Zee daadwerkelijk ging draaien. NOVEM - het huidige Agentschap NL - voerde de haalbaarheids- studie uit. Zij concludeerde dat een 100 MW windpark op zee technisch en economisch haalbaar was, mits daar de benodigde investerings- en exploitatiesubsidies van het ministerie van Economische Zaken tegenover stonden. In 1998 werd bepaald wat de locatie van het windpark zou worden. In de daarop volgende jaren voerde de overheid een Milieueffectrap- portage (MER) uit. Ook moest het financiële raamwerk en een Moni- toring en Evaluatie Programma (MEP) worden vastgesteld. En er vond een openbare aanbeste- ding voor private ontwikkelaars plaats. Een voortraject dat vier jaar duurde voordat in 2002 Shell en Nuon als bouwers werden gese- lecteerd. Zij kregen de concessie en subsidie om Offshore Wind- farm Egmond aan Zee te realise- ren, zegt Bart Hoefakker, Operati- ons Manager Shell Wind Energy en directeur van NoordzeeWind, het consortium van Shell en Nuon
dat tekende voor de ontwikke- ling, bouw en exploitatie van het windpark. HIJ EN ZIJN COLLEGA Henk Kouwenhoven van Nuon Wind Development blikken terug op een intensieve maar constructieve voorbereidingsperiode. Hoefak- ker: “We beten destijds het spits af voor windenergie op zee in Nederland. De overheid vond het belangrijk om eerst kennis en ervaring op te doen voordat zij toekomstige windparken zou gaan realiseren. Om die kennis te vergaren voert NoordzeeWind vanaf het allereerste moment een breed onderzoeksprogramma uit. Dit is mede gefinancierd door het ministerie van Economische Zaken, het huidige ministerie van EL&I.” Kouwenhoven: “Bij een project van deze omvang én bovendien op volle zee komt veel kijken. Voordat je überhaupt aan de slag kunt gaan, moeten alle bouwver- gunningen op orde zijn. Het minis- terie van Infrastructuur en Milieu is naast het afgeven van milieuver- gunningen verantwoordelijk voor een verordening voor de scheep- vaart in het gebied waar de windturbines zijn gebouwd. Daar mag niet worden gevaren. Je moet contracten sluiten met alle partici- perende bedrijven in het project. En ook de afname van stroom door Nuon moest contractueel worden geregeld. De ontwikkeling van een monitoringprogramma - een van de voorwaarden die waren gesteld - is noodzakelijk om metingen te doen op het gebied van publieke opinie, techniek en mariene biologie: Hoe reageert de natuurlijke omgeving op de aanwezigheid van windturbines op zee.”
BOUWCOMBINATIE Egmond tekende voor de bouw van het windpark. Een samenwerkingsver- band tussen Ballast Nedam en de Deense windmolenbouwer Vestas, zegt Hoefakker. “Ballast Nedam is een bedrijf met een lange historie op het gebied van offshore wind- energie. Het was destijds de enige partij die in Nederland windtur- bines in het water had geplaatst. Het bedrijf is betrokken bij offshore windparken in het buitenland en neemt deel aan research en deve- lopment projecten op het gebied van offshore windenergie. Kortom, een partij met veel kennis en erva- ring. Vestas is een van de grootste windturbinebouwers ter wereld en heeft in meerdere landen op grote schaal offshore windturbines geplaatst.” DE SELECTIE van de juiste wind- turbine op zee was destijds een lastige, zegt Hoefakker. “Tien jaar geleden was offshore wind nog veel minder beproefd dan nu. De kennis die we nu hebben van hoe windturbines functioneren op zee onder zware weerscondities ontbrak toen nog. De techniek heeft zich in tien jaar tijd razendsnel ont- wikkeld. En dat is van grote invloed op de betrouwbaarheid en het onderhoud van windturbines.” ENERZIJDS LAG de keuze voor technisch innovatieve windturbines sterk voor de hand, zegt Hoef- akker. “Anderzijds moesten we uitgaan van techniek die zich in de praktijk al bewezen had en dus betrouwbaar was. Een combinatie die uiteindelijk door Vestas in de meest optimale vorm werd bena- derd. In 2006 waren we zover dat we konden gaan bouwen. In januari 2007 ging het windpark in bedrijf.”
TERUGBLIKKEND op vijf jaar prak- tijkervaring heeft het windpark volgens verwachting gepresteerd. In 2011 presteerden de 36 wind- turbines zelfs ruim boven verwach- ting. Er waren maanden bij dat de beschikbaarheidgraad bijna 100 procent was, verduidelijkt Hoefak- ker. “Dat neemt niet weg dat we naast het geplande onderhoud van de turbines ook met onge- pland onderhoud werden gecon- fronteerd, waardoor windturbines voor korte of langere tijd buiten werking werden gesteld. Zowel de tandwielkasten als generatoren waren in de beginperiode aan sto- ringen onderhevig en moesten ver- vangen of gerepareerd worden. Bij de heipalen constateerden we in 2009 een afwijking tussen de fundering en het koppelstuk. In het voorjaar van 2010 is dit opgelost.” Ook dit soort hick-ups horen bij het proces van learning by doing, zegt hij. “Leren van de praktijk en continu oog houden voor verbe- teringen. In vijf jaar tijd is ook een schat aan HSE-ervaring opge- daan. We kunnen terugkijken op ruim 270.000 werkuren zonder ongeval met verzuim. Dat moeten we zo houden.” HET MONITOREN van het windpark vindt 24 uur per dag, 365 dagen per jaar plaats, vertelt Kouwenho- ven. “Er is daardoor een schat aan informatie beschikbaar gekomen naar de invloed van het windpark op de levende omgeving. Daarbij kijken we naar vogel-, zoogdier- en vispopulaties. En naar benthos, alle organismen die leven op de zeebodem. De informatie die dit oplevert wordt kritisch door natuur- en milieuorganisaties bestudeerd en gevolgd.” Hij noemt het bruin- visonderzoek dat met behulp van